Partijen kochten gezamenlijk een woning in mei 2022 en beëindigden hun relatie in oktober 2022. Op 13 januari 2023 sloten zij een overeenkomst waarin de gedaagde haar medewerking zou verlenen aan de levering van de woning aan eiser, waarbij zij geen verdere financiële vorderingen op elkaar hadden.
De gedaagde weigerde echter haar medewerking te verlenen aan de overdracht, stellende dat de overeenkomst onder dwaling of druk tot stand was gekomen en dat zij eerst de helft van haar eigen inbreng van €12.000,- wilde ontvangen. De rechtbank achtte deze stellingen onvoldoende aannemelijk en oordeelde dat de procedure ziet op medewerking aan het transport, niet op financiële afwikkeling.
De voorzieningenrechter veroordeelde de gedaagde tot volledige medewerking aan de levering van de woning, met een dwangsom van €500 per dag tot maximaal €20.000 bij niet-nakoming. Tevens werd zij veroordeeld tot betaling van €690,- per maand aan vaste lasten vanaf 30 mei 2023. De kosten van de procedure werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.