Eiser exploiteert een recreatiepark waar gedaagde sinds 2019 een staanplaats huurt. Gedaagde woont permanent op het park, wat volgens eiser in strijd is met de huurovereenkomst en de toepasselijke Recron-voorwaarden. Eiser heeft de huurovereenkomst opgezegd en het geschil is voorgelegd aan de Geschillencommissie Recreatie, die in een bindend advies de opzegging bevestigde en bepaalde dat gedaagde het terrein binnen twee maanden na verzending van het advies moest verlaten.
Gedaagde heeft het terrein niet verlaten en voerde verweer met onder meer verwijzing naar ongelijke behandeling en onrechtmatig handelen van eiser. Hij stelde ook dat hij geen vervangende woonruimte kon vinden en dat ontruiming tot schade zou leiden. De kantonrechter oordeelde dat de termijn voor vernietiging van het bindend advies was verstreken en dat het advies daarmee vaststaat. De verweren van gedaagde waren reeds in de commissieprocedure behandeld en konden niet opnieuw worden beoordeeld.
De kantonrechter stelde vast dat eiser voldoende spoedeisend belang heeft bij ontruiming en dat gedaagde zonder recht of titel op de staanplaats verblijft. Ondanks de bezwaren van gedaagde werd de vordering tot ontruiming toegewezen met een ontruimingstermijn van twee maanden. Tevens werd gedaagde veroordeeld in de proceskosten en nakosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.