ECLI:NL:RBOVE:2023:3227

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
7 augustus 2023
Publicatiedatum
9 augustus 2023
Zaaknummer
295703 FT RK 23.233
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287a FwArt. 288 lid 1 sub c FwArt. 292 lid 3 FwArt. 361 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek wettelijke schuldsanering wegens onvoldoende inspanningen schuldenaar

Verzoekster heeft een verzoek ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling en een dwangakkoord, waarbij het dwangakkoord reeds was afgewezen omdat zij niet het maximale aan haar schuldeisers had aangeboden.

Zij stelt geen betaalde arbeid te kunnen verrichten vanwege psychische problematiek die al tien jaar bestaat maar nooit grondig is behandeld. De rechtbank constateert dat verzoekster zich onvoldoende heeft ingespannen om haar psychische problematiek aan te pakken, mede doordat zij sinds de afwijzing van het dwangakkoord haar huisarts niet heeft benaderd voor verwijzing naar een psycholoog.

De rechtbank overweegt dat verzoekster ondanks haar schuldenlast van ruim €22.800 en haar PW-uitkering van €1.622,68 per maand onvoldoende inspanningen levert om door arbeid baten te genereren voor schuldeisers. Ook andere belemmeringen zoals de zorg voor haar kind, moeder en broertje kunnen haar niet worden toegerekend omdat zij hiervoor geen verantwoordelijkheid draagt.

De rechtbank concludeert dat verzoekster niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling zal nakomen en wijst het verzoek af op grond van artikel 288 lid 1 sub c Faillissementswet Pro.

Uitkomst: Verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling is afgewezen wegens onvoldoende inspanningen van verzoekster.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Toezicht
Zittingsplaats Zwolle
rekestnummer: 295703 FT RK 23.233
uitspraakdatum: 7 augustus 2023
Vonnis van de rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken op het verzoek van:

[verzoeker],

geboren op [geboortedatum 1] 1995 te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats],
verder [verzoeker] te noemen.

Het procesverloop

[verzoeker] heeft een verzoekschrift ingediend de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Het verzoek is behandeld ter zitting van 31 juli 2023 waarvan aantekeningen zijn gemaakt. [verzoeker] is ter zitting verschenen.

De beoordeling

De feiten
[verzoeker] woont samen met de vader van haar op [geboortedatum 2] 2022 geboren baby, de heer [naam].
[verzoeker] heeft tezamen met haar verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling een verzoek tot vaststelling van een dwangakkoord (verzoek ex artikel 287a Faillissementswet) ingediend. Het verzoek tot vaststelling van een dwangakkoord (verzoek dwangakkoord) is na behandeling ter zitting van 6 juni 2023, bij vonnis van 13 juni 2023 afgewezen.
De rechtbank heeft het verzoek dwangakkoord afgewezen, omdat de rechtbank van oordeel is dat [verzoeker] niet het maximale aan haar schuldeisers heeft aangeboden. Volgens [verzoeker] kan zij geen betaalde arbeid verrichten omdat ze kampt met psychische problemen. De rechtbank heeft uit de toelichting op de verzoekschriften en de verklaring van [verzoeker] ter zitting opgemaakt dat [verzoeker] inmiddels minstens tien jaar kampt met deze psychische problematiek maar dat die problematiek nooit grondig met een passende behandeling is aangepakt. Ook heeft [verzoeker] naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij de behandeling van haar psychische problematiek op dit moment serieus wil aanpakken nu zij haar nieuwe huisarts sinds de verhuizing naar Heeten een klein jaar geleden nog niet heeft benaderd voor een dergelijke behandeling. De rechtbank is van oordeel dat [verzoeker] zich gelet op de problematische schuldensituatie waarin ze al jarenlang verkeert onvoldoende heeft ingespannen om psychisch zoveel mogelijk gezond te worden om zodoende door het verrichten van betaalde arbeid baten voor aflossing van de schuldeisers te genereren.
De totale schuldenlast bedraagt € 22.809,59. [verzoeker] ontvangt met haar partner een PW-uitkering van € 1.622,68 per maand.
De behandeling ter zitting
[verzoeker] heeft verklaard dat ze sinds haar zwangerschap geen alcoholische dranken meer heeft genuttigd en geen drugs meer heeft gebruikt. Volgens [verzoeker] heeft ze af en toe nog wel aandrang om alcohol of drugs te gebruiken. Volgens [verzoeker] heeft ze recent met de gemeente afgesproken dat ze binnen nu en een jaar haar huisarts verzoekt om haar te verwijzen naar een psycholoog, omdat gesprekken met een POH-GGZ onvoldoende soelaas bieden ter behandeling van haar psychische problematiek. Volgens [verzoeker] heeft ze last van depressieve klachten en heeft ze problemen in de omgang met mensen. Daarnaast heeft ze op dit moment, naast de zorg voor haar kind, ook de zorg voor haar moeder en haar broertje. De moeder van [verzoeker] kampt met een alcohol- en drugsverslaving en het broertje van [verzoeker] heeft adhd en blowt veel. Volgens [verzoeker] kan haar partner wegens zijn eigen psychische problematiek hun kind niet verzorgen en kent ze ook niemand anders die hun kind kan opvangen. [verzoeker] heeft verklaard dat ze graag van haar schulden af wil omdat de schuldenproblematiek haar veel stress geeft.
De overwegingen van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling moet worden afgewezen en overweegt daartoe als volgt. De rechtbank is van oordeel dat [verzoeker] niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. Zoals ook in het vonnis van 13 juni 2023 is overwogen heeft [verzoeker] zich naar het oordeel van de rechtbank gelet op de reeds jarenlang bestaande problematische schuldensituatie onvoldoende ingespannen om te proberen door behandeling van haar psychische problematiek zodanig gezond te worden dat zij in staat is betaalde arbeid te verrichten. De rechtbank concludeert ook nu dat [verzoeker] er nog steeds geen blijk van heeft gegeven de behandeling van de psychische problematiek serieus te willen aanpakken. [verzoeker] heeft zich immers ook, ruim zes weken na het vonnis van 13 juni 2023, niet door de huisarts laten verwijzen naar een psycholoog. [verzoeker] heeft slechts met de gemeente afgesproken dat zij zich binnen een jaar laat verwijzen naar een psycholoog. De rechtbank is van oordeel dat dit kenmerkend is voor de houding van [verzoeker] ten opzichte van de inspanningen die naar het oordeel van de rechtbank ten behoeve van haar schuldeisers van [verzoeker] mogen worden verwacht. Aan het einde van een wettelijke schuldsaneringsregeling ligt er immers een schone lei in het verschiet. Hier dienen naar het oordeel van de rechtbank optimale inspanningen van de schuldenaar tegenover te staan. [verzoeker] heeft verklaard graag van haar schulden af te willen omdat zij haar stress bezorgen, maar lijkt daar geen inspanningen tegenover te willen stellen. Dat blijkt naar het oordeel van de rechtbank ook uit het feit dat [verzoeker] telkens nieuwe redenen aanvoert waarom ze geen betaalde arbeid zou kunnen verrichten. Thans staat volgens [verzoeker], naast dat ze geen opvang voor haar kind heeft en wegens psychische problematiek geen betaald werk kan verrichten, ook de zorg voor haar moeder en broertje aan het verrichten van betaalde arbeid in de weg. De rechtbank is van oordeel dat [verzoeker] de zorg voor haar moeder en broertje niet aan de schuldeisers kan tegenwerpen, nu [verzoeker] niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor die zorg. De moeder en het broertje van [verzoeker] zullen daarvoor andere oplossingen moeten vinden. Ten aanzien van opvang voor het kind van [verzoeker] is de rechtbank van oordeel dat als de partner van [verzoeker] daadwerkelijk niet voor zijn kind kan zorgen, [verzoeker] de mogelijkheden van een beroep op betaalde kinderopvang had dienen te onderzoeken. [verzoeker] heeft niet aannemelijk gemaakt zich in die mogelijkheden te hebben verdiept, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank wel van haar had mogen worden verwacht.
Op grond van vorenstaande wijst de rechtbank het verzoek van [verzoeker] af op grond van artikel 288 lid 1 sub c Faillissementswet Pro.

De beslissing

De rechtbank:
- wijst het verzoek af;
Gewezen door mr. S.J.S. Groeneveld-Koekkoek, lid van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 augustus 2023 in tegenwoordigheid van de griffier [1] .