ECLI:NL:RBOVE:2023:3229

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
7 augustus 2023
Publicatiedatum
9 augustus 2023
Zaaknummer
C/08/23/94 R
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 349a lid 1 FaillissementswetArt. 285 lid 1 onder f Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toepassing wettelijke schuldsaneringsregeling met terugwerkende ingangsdatum wegens maximale afdracht

Verzoekster heeft een verzoek ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Zij is gehuwd in gemeenschap van goederen en samen met haar echtgenoot heeft zij een verzoek ingediend. De rechtbank heeft hen op 31 juli 2023 gehoord.

De rechtbank oordeelt dat verzoekster in staat van ophouden met betalen verkeert en te goeder trouw is geweest bij het ontstaan van de schulden. Tevens is aannemelijk dat zij haar verplichtingen uit de regeling zal nakomen. De wettelijke schuldsaneringsregeling wordt daarom op verzoekster van toepassing verklaard.

Daarnaast is verzocht om de ingangsdatum van de regeling te bepalen op 1 oktober 2022, tien maanden voor de uitspraak. De rechtbank stelt vast dat verzoekster en haar echtgenoot vanaf die datum maximaal conform de wettelijke schuldsaneringsnormen hebben afgedragen via een budgetbeheerrekening. Gezien de wetswijziging en het procesreglement acht de rechtbank het passend om de ingangsdatum van de regeling terug te plaatsen naar 1 oktober 2022.

De rechtbank benoemt een rechter-commissaris en stelt de vergoeding van de bewindvoerder vast. Tevens vervallen de beslagen ten laste van verzoekster door de toepassing van de regeling. Het verzoek van echtgenoot wordt bij afzonderlijk vonnis behandeld.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing en bepaalt de ingangsdatum op 1 oktober 2022.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Toezicht - Schuldsanering
Zittingsplaats Zwolle
insolventienummer: C/08/23/94 R
uitspraakdatum: 7 augustus 2023
Vonnis van de rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, op het verzoek van:
[verzoeker 1] e.v. [verzoeker 2], wonende te [woonplaats]
,
Verzoekster, verder te noemen: [verzoeker 1].

Het procesverloop

[verzoeker 1] heeft een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.
[verzoeker 1] is gehoord op 31 juli 2023.

De beoordeling

[verzoeker 1] is in gemeenschap van goederen gehuwd met de heer [verzoeker 2] ([verzoeker 2]) die eveneens een verzoek schuldsaneringsregeling heeft ingediend. [verzoeker 1] en [verzoeker 2] zijn tegelijkertijd gehoord op 31 juli 2023.
De rechtbank overweegt als volgt. Op 1 juli 2023 is de Wet verbetering doorstroom van de gemeentelijke schuldhulpverlening naar de wettelijke schuldsaneringsregeling natuurlijke personen in werking getreden. Als gevolg van inwerkingtreding van vorengenoemde wet is onder andere artikel 349a lid 1 Faillissementswet (Fw) aangepast, in die zin dat nu is bepaald dat de termijn van de schuldsaneringsregeling anderhalf jaar bedraagt te rekenen van de dag van de uitspraak tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling, dan wel van de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling als bedoeld in artikel 285 eerste Pro lid onder f, indien die dag eerder is gelegen.
[verzoeker 1] en [verzoeker 2] hebben, naast dat zij hebben verzocht de schuldsaneringsregeling op hen van toepassing te verklaren, verzocht te bepalen dat de looptijd van de schuldsaneringsregeling start op 1 oktober 2022 (tien maanden vóór de datum van de uitspraak tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling).
De rechtbank zal eerst het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling en vervolgens het verzoek betreffende de eerdere ingangsdatum behandelen.
De rechtbank concludeert het volgende.
Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen. [verzoeker 1] verkeert in de toestand dat zij heeft opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat zij niet zal kunnen voortgaan met betaling van haar schulden. [verzoeker 1] heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk gemaakt dat zij ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van haar schuldenlast in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. Ook heeft [verzoeker 1] naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk gemaakt dat zij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.
De rechtbank zal de wettelijke schuldsaneringsregeling dan ook op [verzoeker 1] van toepassing verklaren.
Ten aanzien van het verzoek om te bepalen dat de ingangsdatum van de termijn van de schuldsaneringsregeling 1 oktober 2022 is, overweegt de rechtbank als volgt.
In het Landelijk procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken (procesreglement) is uitgewerkt wat de wetgever lijkt te hebben bedoeld met de aangepaste wettekst van artikel 349a lid 1 Faillissementswet wat betreft de termijn van de schuldsaneringsregeling die kan ingaan ‘op de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling’. De rechtbank gaat ervan uit dat met ‘aflossing’ wordt gedoeld op ‘afdracht’ ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers en dan volgens de tijdens de wettelijke schuldsaneringsregeling geldende normen, zoals ook in het procesreglement is opgenomen.
De gemeente Zwolle heeft voor [verzoeker 1] en [verzoeker 2] het schuldhulpverleningstraject verzorgd. [verzoeker 1] en [verzoeker 2] zijn in het kader van het minnelijk traject op 1 oktober 2022 gestart met het afdragen van spaarcapaciteit op de budgetbeheerrekening die door de gemeente Zwolle voor hen is geopend. [verzoeker 1] en [verzoeker 2] ontvingen op 1 oktober 2022 reeds allebei een AOW-uitkering, zodat er geen inspanningsplicht in de zin van het verwerven en behouden van betaalde arbeid meer op hen rustte Naast de AOW-uitkering ontvangt [verzoeker 1] twee pensioenen van in totaal, van oktober 2022 tot en met juli 2023, € 269,36 per maand. Op basis van onder andere door [verzoeker 1] en [verzoeker 2] overgelegde berekeningen van vrij te laten bedragen, inkomensspecificaties, specificaties van huur en toeslagen en overzichten van afgedragen bedragen, concludeert de rechtbank dat er van oktober 2022 tot en met juli 2023 maximaal conform wettelijke schuldsaneringsnormen is afgedragen.
De rechtbank gaat ervan uit dat de wetgever heeft bedoeld dat in dit geval de ingangsdatum van de termijn van de schuldsaneringsregeling moet worden bepaald op tien maanden voor de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling, zijnde 1 oktober 2022.
De rechtbank vraagt zich ook in dit geval af of de wetswijziging van artikel 349a lid 1 Faillissementswet niet tot schrijnende en onaanvaardbare gevolgen leidt, nu ‘aflossing’ in het voortraject voor een aanmerkelijk deel van de schuldenaren, zonder dat hen dat te verwijten is, niet mogelijk is. Te denken valt hierbij aan schuldenaren die volledig arbeidsongeschikt zijn en een inkomen ontvangen dat lager of gelijk is aan het vrij te laten bedrag of schuldenaren die door beslag op hun inkomen niet kunnen afdragen ten behoeve van hun gezamenlijke schuldeisers. Echter zolang de wetgever niet anders bepaalt, de Hoge Raad geen andere uitleg aan de nieuwe wetgeving heeft gegeven en er geen bestendige en andere plausibele uitleg uit jurisprudentie van de gerechtshoven en rechtbanken blijkt, zal de rechtbank uitgaan van de uitleg die er vermoedelijk aan de nieuwe wetgeving moet worden gegeven en die in het procesreglement is opgetekend.
De rechtbank is op grond van vorenstaande van oordeel dat de ingangsdatum van de termijn van de schuldsaneringsregeling conform artikel 349a lid 1 Faillissementswet op 1 oktober 2022 moet worden bepaald, waartoe de rechtbank hierna zal overgaan.
De rechtbank overweegt tenslotte dat door de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling de ten laste van [verzoeker 1] gelegde beslagen van rechtswege zijn komen te vervallen.
Op de verzoeken van [verzoeker 2] zal heden bij afzonderlijk vonnis worden beslist.

De beslissing

De rechtbank:
- spreekt de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoeker 1] e.v. [verzoeker 2]
geboren op [geboortedatum]-1952 te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats],
voorheen handelend onder de naam [naam],
laatstelijk gevestigd te [adres 1],
laatstelijk ingeschreven in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel
onder nummer [nummer];
- benoemt tot rechter-commissaris mr. A.H. Margadant,
en tot bewindvoerder [bewindvoerder],
[adres 2]
;
- geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan [verzoeker 1] gerichte brieven en telegrammen;
- stelt de vergoeding voor de bewindvoerder gedurende de looptijd van de schuldsaneringsregeling voorlopig vast op de bedragen zoals bepaald in het op 1 oktober 2013 in werking getreden Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering, en brengt deze bedragen ten laste van de boedel.
- bepaalt dat de bewindvoerder - bij wijze van voorschot - van deze vergoeding gemiddeld per maand een bedrag mag opnemen van maximaal het maandbedrag van het looptijdafhankelijke deel, te vermeerderen met 1/36 van het looptijdonafhankelijke deel, een en ander vanaf de maand waarin de toepassing van de schuldsaneringsregeling van kracht is (een gedeelte van een maand daaronder begrepen) en uitsluitend wanneer het saldo op de ten behoeve van de schuldsaneringsregeling geopende bankrekening dit toelaat;
- bepaalt op grond van artikel 349a lid 1 Faillissementswet dat de ingangsdatum van de
termijn van de schuldsaneringsregeling 1 oktober 2022 is.
Gewezen te Zwolle door mr. S.J.S. Groeneveld-Koekkoek, lid van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 augustus 2023 in tegenwoordigheid van de griffier.