Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.[eiser 1],
[eiser 2],
1.[gedaagde 1],
[gedaagde 2],
Rechtbank Overijssel
In deze civiele zaak staat de vraag centraal of de door eiser geplaatste muur op het perceel van gedaagde leidt tot verkrijgende verjaring van de erfgrens volgens artikel 3:99 BW Pro.
Gedaagde voerde aan dat eiser niet te goeder trouw was omdat er al in 2009 grenspaaltjes stonden die eiser bewust zou hebben genegeerd. Dit werd onderbouwd met een e-mail van het Kadaster en een kadastrale kaart. Eiser betwistte dit en stelde dat de grenspaaltjes pas in 2019 zijn geplaatst en dat uit de kadastrale kaart niet blijkt dat hij bewust op de grond van gedaagde heeft gebouwd.
De kantonrechter oordeelde dat gedaagde niet is geslaagd in zijn bewijsopdracht. De e-mail van het Kadaster toont niet aan dat de grenspaaltjes in 2009 al aanwezig waren en de kadastrale kaart geeft onvoldoende inzicht in de exacte perceelgrenzen. Hierdoor is voldaan aan de voorwaarden van verkrijgende verjaring en is de muur de juridische erfgrens geworden.
Daarnaast werd een vordering van eiser tot het vrijmaken van een sloot afgewezen omdat gedaagde de obstructie reeds had verwijderd en eiser geen belang meer had bij de vordering.
De rechtbank veroordeelde gedaagde tot medewerking aan de wijziging van de kadastrale erfgrens en tot betaling van proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de muur door verjaring tot juridische erfgrens en veroordeelt gedaagde tot medewerking aan kadastrale wijziging.