Uitspraak
1.[gedaagde 1] B.V.,
2.
[gedaagde 2] B.V.,
3.
[gedaagde 3],
“ [eiser] ”(vrouwelijk enkelvoud) worden genoemd en de gedaagde partijen zullen hierna samen
“ [gedaagden].” (mannelijk enkelvoud) worden genoemd.
Rechtbank Overijssel
Eiser vorderde de teruggave van een aanhanger die in 2019 van haar was gestolen en vervolgens door een derde aan gedaagden was verkocht. Gedaagden betwistten de vordering en stelden dat zij de aanhanger in 2021 te goeder trouw hadden gekocht. De rechtbank oordeelde dat eiser tijdig haar eigendomsrecht had opgeëist op grond van artikel 5:2 en Pro 3:86 lid 3 BW.
De rechtbank stelde vast dat de overdracht door een niet-bevoegde vervreemder had plaatsgevonden en dat gedaagden geen bescherming genoten als te goeder trouw verkrijger omdat zij onvoldoende onderzoek hadden gedaan naar de eigendomspapieren. Het verweer van gedaagden faalde.
De rechtbank veroordeelde gedaagden hoofdelijk om de aanhanger binnen drie dagen in goede staat te retourneren, onder oplegging van een dwangsom. Tevens werd gedaagden veroordeeld tot betaling van €5.175,00 schadevergoeding indien de aanhanger niet tijdig wordt teruggegeven, en tot betaling van proceskosten. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten werd afgewezen.
Uitkomst: Gedaagden worden veroordeeld tot teruggave van de aanhanger aan eiser en tot betaling van €5.175 schadevergoeding.