Uitspraak
RECHTBANK Overijssel
1.[eiseres 1] ,
2.
[eiseres 2],
3.
[eiseres 3],
1.[gedaagde 1] ,
advocaat: mr. D. van der Wijk,
2.[gedaagde 2] ,
hierna te noemen [gedaagde 2] ,
Rechtbank Overijssel
De zaak betreft een geschil tussen erfgenamen over betalingen gedaan met de bankpas van hun moeder, die tijdens haar leven zonder haar aanwezigheid zijn verricht door haar dochter. De moeder was handelingsbekwaam en er was geen bewijs dat de dochter zonder toestemming handelde of misbruik maakte van omstandigheden. De eiseressen stelden dat de dochter onrechtmatig handelde en vorderden een schadevergoeding van €30.000 en verbeurdverklaring van haar erfdeel.
De rechtbank analyseerde het uitgavenpatroon over de periode 2009 tot 2021 en concludeerde dat er geen voldoende bewijs was voor onrechtmatigheid of ongerechtvaardigde verrijking. Wel erkende de dochter een bedrag van €1.820,08 aan boodschappen voor zichzelf te hebben betaald met de bankpas van moeder zonder haar aanwezigheid, en bood zij aan dit bedrag terug te betalen.
De rechtbank veroordeelde de dochter tot betaling van dit bedrag aan de nalatenschap, maar wees de overige vorderingen af. De verbeurdverklaring werd afgewezen omdat niet was gebleken dat de dochter opzettelijk gelden buiten de gemeenschap hield. Proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: De dochter wordt veroordeeld tot betaling van €1.820,08 aan de nalatenschap; overige vorderingen worden afgewezen.