De rechtbank Overijssel behandelde een strafzaak waarin verdachte werd verdacht van medeplegen van het opzettelijk gebruik van een valse schuldbekentenis en witwassen van geldbedragen en panden. Het onderzoek betrof transacties en documenten tussen 2011 en 2017, waarbij verdachte en een medeverdachte betrokken waren.
De officier van justitie stelde dat verdachte medepleger was van het gebruik van een vals geschrift en witwassen, gebaseerd op een schuldbekentenis en diverse geldtransacties die niet in verhouding stonden tot het vermogen van verdachte en zijn medeverdachte. De verdediging voerde aan dat de schuldbekentenis niet vals was en dat er geen bewijs was dat de gelden uit een misdrijf afkomstig waren.
De rechtbank oordeelde dat de schuldbekentenis vermoedelijk een foutief jaartal bevatte, maar inhoudelijk niet vals was, omdat het geld daadwerkelijk van het bedrijf van verdachte afkomstig was en gebruikt werd voor de aankoop van een pand. Tevens was onvoldoende bewijs dat de geldbedragen en panden uit een misdrijf afkomstig waren. De verklaring van verdachte en medeverdachte over de herkomst van het geld was concreet en plausibel.
Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van beide tenlasteleggingen wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs. Tevens gelastte de rechtbank de teruggave van de in beslag genomen contante geldbedragen aan verdachte.