Eisers dienden op 9 december 2022 een Woo-verzoek in bij Gedeputeerde Staten van Overijssel. Na het uitblijven van een tijdige beslissing stelden eisers verweerder op 13 februari 2023 in gebreke en startten op 10 maart 2023 een beroep wegens niet tijdig beslissen. Op 13 april 2023 nam verweerder een eerste deelbesluit, waarna de rechtbank op 2 juni 2023 het beroep niet-ontvankelijk verklaarde wegens vervallen procesbelang, maar wel een proceskostenvergoeding toekende.
Eisers maakten hiertegen verzet, dat op 30 augustus 2023 gegrond werd verklaard omdat verweerder nog een tweede deelbesluit moest nemen. Op 10 augustus 2023 volgde dit tweede deelbesluit. Hoewel eisers bezwaar maakten tegen dit besluit, stelde de rechtbank vast dat met deze twee deelbesluiten het Woo-verzoek volledig was afgedaan en het procesbelang voor het beroep wegens niet tijdig beslissen was komen te vervallen.
De rechtbank verklaarde het beroep daarom niet-ontvankelijk. Tevens bevestigde zij de eerdere proceskostenveroordeling van €418,50 en griffierecht van €184,- ten laste van verweerder, waarvan reeds betaling had plaatsgevonden. Eisers kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.