ECLI:NL:RBOVE:2023:4019

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
10 oktober 2023
Publicatiedatum
16 oktober 2023
Zaaknummer
10470153 \ CV EXPL 23-1631
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:273 lid 2 BWArt. 7:274 lid 1 sub c BWArt. 7:275 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering beëindiging huurovereenkomst wegens dringend eigen gebruik

Partij A verhuurt een woning aan partij B en wil de huurovereenkomst beëindigen zodat haar gehandicapte zoon in de woning kan intrekken. Partij A heeft de huurovereenkomst opgezegd met als reden dringend eigen gebruik vanwege de zorgbehoefte van haar zoon en haar eigen gezondheidssituatie.

Partij B weigert de woning te verlaten en stelt dat er geen sprake is van dringend eigen gebruik. De kantonrechter oordeelt dat partij A onvoldoende heeft onderbouwd dat het dringend nodig is om de huurovereenkomst te beëindigen. De medische situatie van partij A is niet zodanig nijpend dat onmiddellijke beëindiging gerechtvaardigd is, en er is geen passende vervangende woonruimte voor partij B.

De kantonrechter wijst daarom de vordering van partij A af en bepaalt dat de huurovereenkomst wordt verlengd voor onbepaalde tijd. Daarnaast wordt partij A veroordeeld in de proceskosten en de na dit vonnis ontstane kosten. De voorwaardelijke reconventie van partij B wordt niet behandeld omdat de hoofdvordering wordt afgewezen.

Uitkomst: De vordering tot beëindiging van de huurovereenkomst wegens dringend eigen gebruik wordt afgewezen en de huurovereenkomst wordt verlengd voor onbepaalde tijd.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 10470153 \ CV EXPL 23-1631
Vonnis van 10 oktober 2023
in de zaak van
[partij A],
te [woonplaats 1] ,
eisende partij, gedaagde partij in voorwaardelijke reconventie,
hierna te noemen: [partij A] ,
gemachtigde: mr. M.A. Krieger,
tegen
[partij B],
te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij, eisende partij in voorwaardelijke reconventie,
hierna te noemen: [partij B] ,
gemachtigde: mr. A. aan het Rot,
(toevoeging onder nummer [nummer] ).

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 18 juli 2023,
- de mondelinge behandeling van 11 september 2023, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.Waar gaat deze zaak over?

2.1.
Op het erf van [partij A] staat een woning. Dit huis is gesplitst, waardoor er twee huizen zijn ontstaan, namelijk die met huisnummers [huisnummer 1] en [huisnummer 2] . [partij A] woont met haar man en twee volwassen zonen op nummer [huisnummer 1] en verhuurt nummer [huisnummer 2] aan [partij B] . [partij A] wil dat [partij B] uit de woning gaat, zodat haar gehandicapte zoon daar kan intrekken. Zij heeft de huurovereenkomst daarom opgezegd. [partij B] wil daar niet aan meewerken. [partij A] vordert in deze procedure dat de rechter de huurovereenkomst beëindigt en [partij B] veroordeelt tot ontruiming van de huurwoning.
2.2.
De kantonrechter wijst de vordering van [partij A] af. Zij zal hierna uitleggen hoe zij tot dat oordeel is gekomen.
3. De feiten
3.1.
[partij A] woont met haar man en twee zonen op het adres [adres 1] .
3.2.
Sinds 1 september 2018 verhuurt [partij A] de woning aan de [adres 2] aan [partij B] . Het gehuurde zit aan de woning van [partij A] vast en loopt daarin gedeeltelijk door. De huurovereenkomst tussen partijen is voor onbepaalde tijd aangegaan.
3.3.
Bij brief van 8 september 2022 heeft [partij A] de huurovereenkomst opgezegd tegen 1 april 2023. De reden daarvan is dat zij het gehuurde dringend nodig heeft voor eigen gebruik. [partij A] wil namelijk dat haar inwonende gehandicapte zoon, voor wie zij en haar man op dit moment zorgen, naar de huurwoning verhuist. Dit omdat de zorg voor [partij A] en haar echtgenoot, gelet op hun leeftijd en gezondheid, te zwaar is geworden.
3.4.
[partij B] heeft bij brief van 17 oktober 2022 gereageerd dat zij niet instemt met de door [partij A] voorgestelde beëindiging van de huurovereenkomst.

4.Het geschil

4.1.
[partij A] vordert – samengevat – dat de rechter de huurovereenkomst tussen partijen beëindigt en [partij B] veroordeelt tot ontruiming van het gehuurde, zo nodig met behulp van politie en justitie. Daarnaast vordert [partij A] dat [partij B] de proceskosten met rente en de ontruimingskosten betaalt.
4.2.
[partij A] legt aan haar vordering ten grondslag dat zij het gehuurde dringend nodig heeft voor eigen gebruik.
4.3.
[partij B] betwist dat [partij A] het gehuurde dringend nodig heeft voor eigen gebruik. Zij heeft daarnaast een voorwaardelijke tegeneis (eis in reconventie) ingesteld. Als de kantonrechter de huurovereenkomst wegens dringend eigen gebruik beëindigt, vordert [partij B] om in dat geval een tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten vast te stellen op € 7.156,00, met rente en kosten.
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

In conventie
5.1.
Tussen partijen staat vast dat sprake is van een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd. De kantonrechter stelt voorop dat een vordering tot beëindiging daarvan alleen op bepaalde in de wet genoemde gronden kan worden toegewezen. Eén van die gronden is dat de verhuurder aannemelijk maakt dat hij het gehuurde dringend nodig heeft voor eigen gebruik. De wet stelt daaraan in artikel 7:274 lid 1 sub c BW Pro als voorwaarden dat van de verhuurder niet gevergd kan worden dat de huurovereenkomst wordt verlengd en dat blijkt dat de huurder andere passende woonruimte kan krijgen. Verder staat in de wet dat de kantonrechter bij deze beoordeling de belangen van beide partijen moet afwegen.
5.2.
De kantonrechter is van oordeel dat [partij A] onvoldoende heeft onderbouwd dat zij het gehuurde op dit moment dringend nodig heeft voor eigen gebruik. De kantonrechter kan zich indenken dat het huisvesten van de gehandicapte zoon van [partij A] in het gehuurde in de ogen van [partij A] een ideale oplossing is voor het feit dat zij de zorg steeds minder goed aankan vanwege haar leeftijd. Maar nog daargelaten dat partijen discussiëren over de vraag of het wel om
eigengebruik gaat (beoogd wordt immers dat de zoon van [partij A] het gehuurde zal gebruiken), heeft [partij A] (desgevraagd) niet kunnen onderbouwen dat de situatie op dit moment dringend is. Weliswaar heeft zij een medische verklaring ingebracht waaruit blijkt dat zij een beroerte heeft gehad, maar die gebeurtenis heeft zich in 2007 voorgedaan. Dat de gezondheidssituatie van [partij A] op dit moment zo nijpend is dat [partij B] haar huurwoning uit moet, is niet gesteld. Daar komt bij dat [partij B] een groot belang heeft bij voortzetting van de huurovereenkomst. Zij heeft namelijk onbetwist gesteld dat er, gezien haar financiële positie en de krapte op de woningmarkt, op korte termijn geen vervangende woonruimte is. [partij A] heeft gesuggereerd dat [partij B] bij haar vriend kan intrekken, maar [partij B] heeft daartegen aangevoerd dat zijn woning nog niet klaar is voor bewoning en dat zij, los daarvan, ook niet gedwongen wil worden tot samenwonen. De kantonrechter acht de aanwezigheid van andere passende woonruimte onvoldoende aannemelijk.
5.3.
De conclusie is dat, hoe invoelbaar de wens van [partij A] om haar zoon in het gehuurde te huisvesten ook is, de vordering op dit moment niet op deze grondslag tot toewijzing kan leiden. Dat de vordering van [partij A] zal worden afgewezen, brengt mee dat de huurovereenkomst op grond van artikel 7:273 lid 2 BW Pro van rechtswege zal worden verlengd. De kantonrechter zal bepalen dat deze verlenging vanwege de lange duur van de huur voor onbepaalde duur zal zijn.
5.4.
[partij A] is de partij die ongelijk krijgt en zij zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. Tot aan dit vonnis worden de proceskosten aan de zijde van [partij B] vastgesteld op € 398,00 aan salaris gemachtigde (2 punten x € 199,00). Verder worden de nakosten, begroot op € 99,50, toegewezen (dat is een half punt van het liquidatietarief).
In voorwaardelijke reconventie
5.5.
[partij B] heeft in reconventie een tegemoetkoming voor verhuis- en inrichtingskosten als bedoeld in artikel 7:275 lid 1 BW Pro gevorderd. Deze vordering is ingesteld onder de voorwaarde dat de kantonrechter van oordeel is dat [partij A] zich gerechtvaardigd op dringend eigen gebruik beroept. Omdat aan deze voorwaarde niet is voldaan, komt de kantonrechter niet toe aan een beoordeling van de tegenvordering, zodat daarop niet hoeft te worden beslist.

6.De beslissing

De kantonrechter
6.1.
wijst de vorderingen van [partij A] af,
6.2.
bepaalt dat de huurovereenkomst tussen partijen voor onbepaalde tijd wordt verlengd,
6.3.
veroordeelt [partij A] in de proceskosten, aan de zijde van [partij B] tot dit vonnis vastgesteld op € 398,00,
6.4.
veroordeelt [partij A] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 99,50 aan salaris gemachtigde,
6.5.
verklaart onderdelen 6.3. en 6.4. uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Koene en in het openbaar uitgesproken op 10 oktober 2023. (ED)