Uitspraak
RECHTBANK Overijssel
1.[eiser] ,
2.
[eiseres],
1.De procedure
- het getuigenverhoor van 21 maart 2023
- het getuigenverhoor in contra-enquête van 13 juli 2023
2.De verdere beoordeling
[getuige 1]), mevrouw [getuige 2] [1] (hierna
[getuige 2]), heer [getuige 3] (hierna
[getuige 3]) en mevrouw
[getuige 4].
[getuige 5]), mevrouw [getuige 6] (hierna
[getuige 6]) en de heer [getuige 7] (hierna
[getuige 7]). [eisers] heeft ook als productie 15 een aantal foto’s ingebracht.
(…) Ik ken de situatie aan de [adres] [huisnummer 1] en [huisnummer 2] . Ik ken het vanaf dat mijn zus, mevrouw [getuige 2] die hier eerder vandaag ook heeft getuigd, daar in 2002 kwam wonen. En dat liep door aangezien mijn zoon, [naam 1] , het huis in 2015 van mijn zus heeft gekocht.
vrij vlot” te hebben geplaatst nadat zij daar eind 1996 is gaan wonen. Bovendien meent zij zich goed te herinneren dat in de tijd dat zij in verwachting was – het jaar 2000 – de schutting er in ieder geval al stond. Dat de schutting er vóór het jaar 2000 is geplaatst is om die redenen naar het oordeel van de rechtbank dan ook voldoende aannemelijk geworden.
ik herinner mij geen hek maar het zou kunnen”.
ik herinner mij niet 100 % zeker of daar wel of niet een schutting stond”.Ook op andere punten is [getuige 7] niet stellig, bijvoorbeeld waar hij verklaart “
als gezegd weet ik niet zeker of bij de sloop van het overpad gebruik is gemaakt, maar het had wel gekund. (…) Ik weet wel dat ze tijdens de sloop via [huisnummer 5] zijn gegaan.”[getuige 7] verklaart verder over een stalen hek, maar het is voor de rechtbank duidelijk dat dit stalen hek zich op een andere locatie heeft bevonden dan waar de houten schutting volgens de getuigen [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 4] en [getuige 5] heeft gestaan, namelijk (in het geval van het stalen hek) op de stoep, vrij dicht bij de straat. Ten slotte neemt de rechtbank bij de beoordeling van de verklaring van [getuige 7] in aanmerking dat [getuige 7] zelf aangeeft van mening te zijn dat het recht van overpad, dat zijn vader en opa zouden hebben laten vastleggen, niet verjaart. De wenselijkheid van een bepaalde uitkomst – de instandhouding van het recht van overpad – speelt daardoor bij deze getuige mee. Zonder daarmee iets te willen zeggen over in hoeverre die motivatie ook concreet invloed heeft uitgeoefend op inhoud van de verklaringen van de getuige – het kan heel goed zijn dat dit niet heeft meegespeeld – brengt dit gegeven toch mee dat de rechtbank zijn getuigenverklaringen met meer behoedzaamheid tegemoet treedt. De (ook in eerder verband schriftelijk afgegeven en mede door [eisers] opgestelde) verklaring van [getuige 7] dat de schuttingen die nu op het pad staan er nog geen twintig jaar staan, is tegen die achtergrond, maar ook gelet op zijn overige verklaringen die niet steeds heel stellig zijn, voor de rechtbank niet overtuigend.