De rechtbank Overijssel behandelde het verzoek van een ondernemer die zijn stratenmakersbedrijf wilde voortzetten tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling (wsnp). De schuldenaar kampte met financiële problemen die volgens hem pas sinds twee jaar speelden, maar uit belastingaangiften en aanslagen bleek dat er al sinds 2019 sprake was van onbetaalde belastingschulden door te hoge privé-onttrekkingen. De schuldenaar had geen overzicht van zijn totale schuldenlast en voerde geen deugdelijke administratie, terwijl dit als ondernemer wel zijn verantwoordelijkheid is.
Tijdens de zitting verklaarde de schuldenaar dat hij zijn onderneming wilde voortzetten en dat hij zijn financiële situatie weer op orde wilde krijgen. De rechtbank constateerde echter dat hij onvoldoende inzicht had in zijn netto-inkomsten en de te reserveren bedragen voor belastingverplichtingen. Ook was er sprake van onbetaalde facturen en een langdurig patroon van financiële nalatigheid. De rechtbank oordeelde dat voortzetting van de onderneming onder de schuldsaneringsregeling niet aan de orde was.
Daarnaast werd beoordeeld of de schuldenaar te goeder trouw was in de drie jaar voorafgaand aan het verzoek. De rechtbank concludeerde dat dit niet het geval was, omdat de schulden voortkwamen uit jarenlang onbetaald laten van vaste lasten en belastingen, en strafrechtelijke schulden aan het CJIB. Het beroep op de hardheidsclausule werd verworpen vanwege het ontbreken van controle over de omstandigheden die tot de schulden leidden.
Op grond van deze overwegingen wees de rechtbank het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af.