ECLI:NL:RBOVE:2023:4141

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
16 oktober 2023
Publicatiedatum
23 oktober 2023
Zaaknummer
301280 FT RK 23.476
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287a Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek tot dwangakkoord ondanks weigering grootste schuldeiser

De rechtbank Overijssel behandelde het verzoek van een schuldenaar tot vaststelling van een dwangakkoord ex artikel 287a Faillissementswet. De schuldenaar had een schuldregeling aangeboden waarbij concurrente schuldeisers 9,69% van hun vorderingen over 36 maanden zouden ontvangen. Nationale-Nederlanden Bank N.V., met een vordering van ruim 70% van de totale schuldenlast, stemde aanvankelijk in, maar keerde later terug en wees het aanbod af.

De schuldenaar ontvangt een PW-uitkering en kampt met psychische klachten, waarvoor hij behandeling en re-integratiepogingen heeft ondernomen. Ondanks het ontbreken van spaarcapaciteit spaarde hij maandelijks €55 en bracht €2.500 extra in. De rechtbank achtte aannemelijk dat de schuldenaar zich maximaal heeft ingespannen om zijn situatie te verbeteren en dat het huidige werkvermogen met behoud van uitkering het maximale is.

De rechtbank oordeelde dat de weigering van de grootste schuldeiser niet redelijk was, mede gezien de lange termijn van het minnelijk traject en de inspanningen van de schuldenaar. Daarom werd het verzoek tot dwangakkoord toegewezen en werd verweerster bevolen in te stemmen met de schuldregeling.

Uitkomst: Rechtbank beveelt schuldeiser in te stemmen met schuldregeling omdat schuldenaar maximale inspanningen heeft geleverd en weigering niet redelijk is.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Toezicht
Zittingsplaats Almelo
zaaknummer: 301280 FT RK 23.476
datum vonnis: 16 oktober 2023
Vonnis van de rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, op het verzoek van:

[verzoeker] ,

geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
verzoeker,
verder te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: Stadsbank Oost Nederland te Enschede,
tegen

de naamloze vennootschap Nationale-Nederlanden Bank N.V.,

gevestigd te Den Haag,
gemachtigde: Vesting Finance te Amersfoort,
verweerster.
Ten aanzien van de goederen van [verzoeker] is een onderbewindstelling uitgesproken met benoeming van Antonius Bewindvoering B.V. te Hengelo (O) tot (beschermings)bewindvoerder.

Het procesverloop

[verzoeker] heeft een verzoek gedaan tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling en heeft tevens verzocht om een dwangakkoord (verzoek ex artikel 287a Faillissementswet) vast te stellen.
Het verzoek tot vaststelling van het dwangakkoord is behandeld ter terechtzitting van
9 oktober 2023. Ter zitting zijn [verzoeker] en mevrouw [naam 1] (beschermingsbewindvoerder), verschenen. Verder is er niemand verschenen. Van de behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt.
Het vonnis is bepaald op vandaag.

De beoordeling van het verzoek en de motivering van de beslissing

De feiten
De totale schuldenlast van [verzoeker] bedraagt € 16.116,37, waaronder een schuld aan Nationale-Nederlanden Bank N.V. van € 11.422,43. [verzoeker] ontvangt een PW-uitkering.
[verzoeker] heeft een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers.
Dit aanbod houdt – samengevat weergegeven – het navolgende in: aan de concurrente schuldeisers (er zijn geen preferente schuldeisers) is een aanbod gedaan van een uitkering van 9,69 % % van hun vorderingen op een termijn van 36 maanden tegen verlening door de schuldeisers van finale kwijting. Er is sprake van een prognosevoorstel. Het aanbod is eind december 2021 gedaan.
Op 1 februari 2022 is [naam 2] namens verweerster akkoord gegaan met het aanbod in het minnelijk traject. Op 3 maart 2022 heeft de Stadsbank Oost Nederland echter een schrijven ontvangen inhoudende dat [naam 2] niet akkoord had mogen gaan met het aanbod. Ondertussen is het dossier van verweerster overgedragen aan Vesting Finance. In verband met lange wachttijden bij Vesting Finance heeft verweerster het aanbod eerst op 16 januari 2023 definitief afgewezen. Verweerster heeft het aanbod afgewezen omdat [verzoeker] niet aan de inspanningsplicht voldoet.
De gemeente Hengelo heeft de sollicitatieplicht van [verzoeker] opgeschort in verband met de gezondheid van [verzoeker] . Er is sprake van psychische klachten. [verzoeker] is voor die klachten behandeld door Mediant. [verzoeker] heeft geprobeerd te reïntegreren bij de SWB (Sociale Werkplaats) maar dat is niet gelukt. [verzoeker] moet onder andere eerst het gebruik van medicatie afbouwen.
[verzoeker] heeft de rechtbank verzocht verweerster te bevelen in te stemmen met de schuldregeling die is aangeboden.
Vesting Finance heeft namens verweerster schriftelijk verweer gevoerd. Volgens verweerster staat het aanbod niet in verhouding tot de omvang van de vordering van verweerster en is een dwangakkoord niet bedoeld voor de situatie dat de weigerende schuldeiser een vordering heeft die het grootste deel van de schuldenlast vertegenwoordigt, zoals in dit geval, waarin de vordering van verweerster ruim 70 % uitmaakt van de totale schuldenlast van [verzoeker] . Verweerster heeft er voorts op gewezen dat [verzoeker] nog een flink aantal arbeidzame jaren voor de boeg heeft waardoor er een hoger uitdelingspercentage kan worden gegeneerd. Tenslotte heeft verweerster opgemerkt dat er gedurende een wettelijke schuldsaneringsregeling, waarvan de looptijd kan worden verlengd tot maximaal 3,5 jaar, in vergelijking met een minnelijk traject, een zwaarder wegende inspanningsplicht op [verzoeker] zal rusten.
De behandeling ter zitting
De beschermingsbewindvoerder heeft verklaard dat er vanaf het begin van het schuldhulpverleningstraject € 55,-- per maand is gespaard voor de schuldeisers. Daarnaast is er volgens de beschermingsbewindvoerder € 2.500,-- extra ingebracht door [verzoeker] .
Volgens de beschermingsbewindvoerder is [verzoeker] herstellende van een burnout die door een arts is vastgesteld. Inmiddels werkt [verzoeker] vier keer per week.
De beschermingsbewindvoerder heeft verklaard dat [verzoeker] vanuit de gemeente met een jobcoach probeert om zijn uren uit te breiden. Het verwijt van verweerster dat [verzoeker] niet aan zijn inspanningsplicht voldoet, is volgens de beschermingsbewindvoerder onterecht. [verzoeker] kon niet werken en het uitbreiden van uren levert nog steeds veel spanning op, omdat de weerbaarheid bij [verzoeker] ontbreekt.
Ten aanzien van de duur van het minnelijk traject heeft de beschermingsbewindvoerder verklaard dat de termijn van 36 maanden op 4 november 2024 eindigt.
[verzoeker] heeft verklaard dat hij op dit moment vier keer per week, twee uur per dag werkzaam is met behoud van uitkering. [verzoeker] heeft zelf in zes maanden het gebruik van medicatie (anti-depressiva en slaapmiddelen) volledig afgebouwd. [verzoeker] hoopt binnenkort één uur per dag meer te kunnen werken.
De overwegingen van de rechtbank
In artikel 287a lid 5 Faillissementswet is bepaald dat de rechtbank een verzoek tot het opleggen van instemming met een schuldregeling toewijst, indien de schuldeiser die weigert in redelijkheid niet tot weigering van de instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat de schuldeiser heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van de schuldenaar of van de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.
De rechtbank dient in dat kader onder andere te beoordelen of [verzoeker] het maximale heeft aangeboden aan zijn schuldeisers. De rechtbank is van oordeel dat [verzoeker] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij zich sinds de start van het schuldhulpverleningstraject maximaal heeft ingespannen om zoveel mogelijk (geestelijk) gezond te worden zodat hij betaald werk kan verrichten. De rechtbank acht voorts aannemelijk dat het aantal uren dat [verzoeker] thans met behoud van uitkering werkzaam is, op dit moment het maximaal haalbare is. De rechtbank is van oordeel dat de PW-uitkering tot en met heden (en waarschijnlijk ook het komende jaar) het maximale aan inkomsten is dat [verzoeker] kan vergaren, maar concludeert dat [verzoeker] , ondanks het ontbreken van spaarcapaciteit sinds november 2021, € 55,-- per maand heeft gespaard voor zijn schuldeisers en € 2.500,-- extra heeft ingebracht voor zijn schuldeisers. De rechtbank wijst er ten overvloede op dat er sprake is van een prognosevoorstel zodat als er het komende jaar wel spaarcapaciteit ontstaat, deze spaarcapaciteit ten goede komt aan de schuldeisers.
De rechtbank is op grond van vorenstaande van oordeel dat [verzoeker] het maximale heeft aangeboden aan zijn schuldeisers.
Gelet hierop maar ook op het feit dat verweerster 10 maanden nodig heeft gehad om, nadat zij in eerste instantie had ingestemd met het aanbod, te beslissen
dat zij het aanbod afwijst, maakt dat de rechtbank, ondanks dat de schuld aan verweerster ruim 70 % uitmaakt van de totale schuldenlast, van oordeel is dat verweerster in redelijkheid niet tot de weigering heeft kunnen komen.
De rechtbank zal het verzoek van [verzoeker] om verweerster te bevelen in te stemmen met de schuldregeling toewijzen.

De beslissing

De rechtbank:
I. beveelt verweerster in te stemmen met de door [verzoeker] aangeboden schuldregeling als hiervoor omschreven;
II. wijst af het meer of anders verzochte.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.P. van Eerde en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 oktober 2023 in tegenwoordigheid van de griffier [1] .