Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.De vordering van de officier van justitie
2.De procedure
3.De beoordeling van de vordering
3.1 Veroordeling
medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod.
€ 193.691,69per persoon. De rechtbank merkt daarbij op dat [medeverdachte] eerder bij de politie heeft verklaard dat de opbrengsten door drie gedeeld zouden worden, maar dat hij slechts € 60.00,00 heeft verdiend. De rechtbank houdt, in het voordeel van veroordeelde, vast aan de laatste verklaring van [medeverdachte] bij de rechter-commissaris.
€ 193.691,69.
€ 193.691,69.
4.De wettelijke voorschriften
5.De beslissing
- stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op
- legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van
- bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.