Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.Het onderzoek op de terechtzitting
2.De tenlastelegging
3.De bewijsmotivering
[bedrijf]aan de [adres 2] . Verdachte bood in zijn winkel bruids- en avondmode aan voor vrouwen. In de kledingzaak konden de klanten de door hen uitgezochte kleding passen. Verdachte is kleermaker en hij was de enige mannelijke medewerker in de kledingzaak. Tijdens het passen van de jurk/jurken beoordeelde de klant samen met verdachte of de jurk goed paste of dat deze nog passend moest worden gemaakt. Verdachte gaf professioneel advies daarover en wanneer een jurk moest worden vermaakt, speldde hij deze jurk af. Wanneer een jurk bij de borstpartij moest worden opgevuld voorzag verdachte de jurk van cups die ter hoogte van de borsten in de jurk moesten worden geplaatst. Verdachte heeft ter terechtzitting van 27 oktober 2023 verklaard dat, wanneer een jurk bij de borstpartij moest worden opgevuld, hij de cups aan de klant gaf zodat zij de cups zelf ter opvulling van de borstpartij op de juiste plek aan de binnenkant van de jurk kon plaatsen.
Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.
4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
feitelijke aanranding van de eerbaarheid.
5.De strafbaarheid van verdachte
6.De op te leggen straf of maatregel
7.De schade van benadeelde
8.De toegepaste wettelijke voorschriften
9.De beslissing
gevangenisstrafvoor de duur van
3 (drie) maanden;
in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de
proeftijd van 3 (drie) jarende navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:
algemene voorwaardedat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van
180 (honderdtachtig) uren;
vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van
90 (negentig) dagen;
€ 1.884,94(bestaande uit materiële schade en immateriële schade);
€ 1.884,94(te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 augustus 2022);
maatregelop dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van
€ 1.884,94, (zegge: duizend achthonderdvierentachtig euro en vier en negentig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 augustus 2022 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van
28 dagenkan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
mr. C.E. Vording, rechters, in tegenwoordigheid van S. Wongsokerto, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 10 november 2023.