Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.Het onderzoek op de terechtzitting
2.De tenlastelegging
;
;
-(vervolgens) voornoemde [slachtoffer 1] meerdere malen, althans eenmaal, op/tegen het hoofd, althans op/tegen het lichaam, te schoppen en/of te trappen,
3.De bewijsmotivering
Geld, is in de auto denk ik van me afgenomen. Ik weet niet of de dader(s) dit toen hebben weggepakt uit mijn kleding of dat ik het zelf onder bedreiging en geweld aan hen heb gegeven” en [slachtoffer 1] heeft toen aan de verbalisant gevraagd: “
Wilt u even in mijn zakken kijken, want ik denk dat daaruit mijn rijbewijs en bankpas zijn gestolen. Die had ik los in mijn broekzak zitten”.
Ik had geld op zak, ongeveer 300 euro, rijbewijs en bankpas. Mijn telefoon hebben ze uit het raam gegooid, dit heeft de licht getinte bolle jongen gedaan. Deze zat volgens mij links van mij, dus zal hij hem aan die kant eruit hebben gegooid. De autosleutels hebben ze denk ik ook van mij afgepakt, deze zaten namelijk in mijn broekzak. Aan sleutelbos zitten sleutels van de auto, woning van mijn ouders en eigen woning”, “
ik weet niet wanneer ze het geld uit mijn zak hebben gehaald. Ik weet niet of dat op de grond of in de auto is gebeurd”.
was op de achterbank aan het uitrazen en ik draaide mij met de zaklamp naar [slachtoffer 1] toe en dreigde met de zaklamp en zei dat hij moest kalmeren”. Verder heeft verdachte verklaard dat [medeverdachte 1] het mobieltje en de sleutel van [slachtoffer 1] heeft afgepakt.
4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;
medeplegen van mishandeling;
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
5.De strafbaarheid van verdachte
6.De op te leggen straf of maatregel
7.De schade van benadeelde
8.De toegepaste wettelijke voorschriften
9.De beslissing
: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;
medeplegen van mishandeling;
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
gevangenisstrafvoor de duur van
12 (twaalf) maanden;
maatregelop dat de verdachte verplicht is ter zake van het onder 1 en 3 bewezen verklaarde feiten tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van