De eiser vorderde betaling van een huurachterstand van €4.000,00 over de huur van een opslagruimte, die liep van januari 2018 tot en met februari 2019, vermeerderd met rente en incassokosten. De huurovereenkomst was mondeling gesloten en per 28 februari 2019 beëindigd. De gedaagde erkende een betalingsachterstand, stelde deze contant te hebben voldaan met geleend geld van zijn moeder, maar kon dit niet onderbouwen.
De kantonrechter oordeelde dat het verweer van de gedaagde onvoldoende was onderbouwd, mede door tegenstrijdige verklaringen over het bedrag en de ontvanger van de contante betaling, en het ontbreken van bewijs zoals bankafschriften of bevestigingen via WhatsApp. Hierdoor werd het verweer gepasseerd.
De rechtbank veroordeelde de gedaagde tot betaling van €4.074,75 plus wettelijke rente vanaf 5 november 2022 over €3.500,00, en tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van €574,75. Daarnaast werd de gedaagde veroordeeld in de proceskosten en de nakosten, met een termijn van veertien dagen voor betaling na betekening van het vonnis.