Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.Het onderzoek op de terechtzitting
mr. N. Huisman en mr. C. Hofstee (hierna ook in enkelvoud aangeduid als officier van justitie) en van wat door de verdachte en zijn raadsman mr. M.J.J.E. Stassen, advocaat te Tilburg, naar voren is gebracht.
2.De tenlastelegging
3.Het afdoeningsvoorstel
- bewezen verklaard kan worden dat verdachte in de periode van 1 januari 2017 tot en met 13 juni 2019 medeplichtig is geweest aan het gewoontewitwassen van geldbedragen tot een totaalbedrag van € 115.000,--;
- de officier van justitie eist een gevangenisstraf voor de duur van één dag, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht, en een taakstraf voor de duur van 160 uren, waarvan 80 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
4.De beoordeling van het afdoeningsvoorstel met betrekking tot het bewijs
- de rechtbank houdt een eigen verantwoordelijkheid ervoor te zorgen dat de behandeling en de beoordeling van de strafzaak plaatsvinden overeenkomstig de geldende wettelijke bepalingen, met name de artikelen 348 en 350 Sv;
- de verdachte is voorzien van rechtsbijstand;
- de inhoud van het afdoeningsvoorstel is op de openbare terechtzitting besproken;
- de rechtbank heeft vastgesteld dat verdachte vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan het afdoeningsvoorstel en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten.
5.De bewezenverklaring
6.Het bewijs
7.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
medeplichtigheid aan medeplegen van gewoontewitwassen.
8.De strafbaarheid van verdachte
9.De op te leggen straf of maatregel
€ 115.000,--.
10.De toegepaste wettelijke voorschriften
11.De beslissing
medeplichtigheid aan medeplegen van gewoontewitwassen;
gevangenisstrafvoor de duur van
1 (één) dag;
taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van
160 (honderdzestig) uren;
vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van
80 (tachtig) dagen;
80 (tachtig) uren niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte zich voor het einde van de
proeftijd van 2 (twee) jarenschuldig maakt aan een strafbaar feit.
mr. A.J. de Loor, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.C. Folkerts, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 21 november 2023.