Eiseres was van augustus 2019 tot november 2022 werkzaam als taxichauffeur bij gedaagde, met wie zij de arbeidsovereenkomst beëindigde met wederzijds goedvinden. Na beëindiging ontstond een geschil over loonbetaling tijdens werkonderbrekingen en pauzes, uitgesloten van finale kwijting in de vaststellingsovereenkomst.
Eiseres vorderde betaling van €9.750,45 bruto achterstallig loon plus wettelijke verhoging, rente, incassokosten en accountantskosten. Gedaagde voerde verweer met onder meer verjaring en rechtsverwerking, en betwistte de onderbouwing van de vordering.
De kantonrechter oordeelde dat de loonvordering niet verjaard was en dat geen sprake was van rechtsverwerking. Eiseres had haar vordering voldoende onderbouwd met een accountantsrapport, terwijl gedaagde onvoldoende gemotiveerd verweer voerde. De wettelijke verhoging werd gematigd tot 20% wegens verschil van inzicht over cao-toepassing. De incassokosten en een deel van de accountantskosten werden toegewezen. Gedaagde werd veroordeeld in de proceskosten en het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.