Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.De vordering van de officier van justitie
2.De procedure
3.De beoordeling van de vordering
4.De beslissing
wijstde vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht
af.
Rechtbank Overijssel
De rechtbank Overijssel heeft op 4 december 2023 uitspraak gedaan in een zaak waarin de officier van justitie een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ex artikel 36e Wetboek van Strafrecht had ingediend. De veroordeelde was veroordeeld voor medeplegen van hennepteelt in de periode van 1 januari 2021 tot 5 maart 2021, waarbij 328 hennepplanten en 658 gram hennep waren aangetroffen en in beslag genomen.
De officier van justitie vorderde een bedrag van €297.922,96 als geschat wederrechtelijk verkregen voordeel, gebaseerd op vermoedelijke eerdere oogsten in de jaren 2019 en 2020. Deze vordering werd betwist door de verdediging, die stelde dat de veroordeelde geen voordeel had genoten in de ontnemingsperiode en dat eventuele betaling verdeeld zou moeten worden over mededaders.
De rechtbank oordeelde dat de aangetroffen hennepplanten en hennep waren in beslag genomen, waardoor geen voordeel uit de bewezen feiten was verkregen. Daarnaast waren de aanwijzingen voor eerdere oogsten onvoldoende concreet en specifiek om vast te stellen dat de veroordeelde andere strafbare feiten had gepleegd waaruit wederrechtelijk voordeel was verkregen. De verklaring van de veroordeelde over het hergebruik van oude apparatuur en het ontbreken van hennepteelt in de jaren 2019-2020 vond steun in het dossier.
Daarom wees de rechtbank de vordering tot ontneming af. Dit vonnis werd gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken te Zwolle en in het openbaar uitgesproken op 4 december 2023.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel af wegens onvoldoende bewijs van eerdere oogsten.