De adoptant verzocht om stiefouderadoptie van het minderjarige kind, dat sinds jonge leeftijd wordt verzorgd door de adoptant en de moeder. Er heeft nooit omgang plaatsgevonden tussen het kind en de biologische vader sinds het einde van diens relatie met de moeder. De adoptant stelt dat adoptie in het belang van het kind is en dat het kind niets meer van de vader te verwachten heeft.
De vader handhaaft zijn rol als ouder en wenst betrokken te blijven bij het leven van het kind. De Raad voor de Kinderbescherming concludeert dat niet kan worden uitgesloten dat het kind in de toekomst contact zal zoeken met de vader en dat de vader verantwoordelijkheid draagt als ouder.
De rechtbank overweegt dat adoptie alleen kan worden toegewezen als vaststaat en redelijkerwijs kan worden voorzien dat het kind niets meer van de ouder te verwachten heeft. Dit is niet het geval omdat de vader openstaat voor contact en het kind het recht heeft te weten van wie zij afstamt. Daarom wordt het verzoek afgewezen.
De rechtbank benadrukt dat het belang van het kind niet alleen de positie betreft die het door adoptie verkrijgt, maar ook wat het verliest, zoals de aanspraak op opvoeding door de natuurlijke ouders. De situatie is niet vergelijkbaar met eerdere zaken waarin contact onmogelijk werd geacht.
Tegen deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden binnen drie maanden na de uitspraak.