In deze civiele procedure vorderen eisers dat de gedaagden hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld voor de door een derde partij geleden schade als gevolg van de verkoop en levering van onroerend goed. De vordering is gebaseerd op onbehoorlijk bestuur en bestuurdersaansprakelijkheid volgens de artikelen 2:9 lid 2 en 2:11 BW.
De rechtbank verwijst naar het vonnis in de hoofdzaak, waarin de vorderingen van de derde partij zijn afgewezen. Gezien het voorwaardelijke karakter van de vrijwaringsvordering leidt dit tot afwijzing van de vordering van eisers. De gedaagden voerden aan niet betrokken te zijn geweest bij de verkoop en levering en stelden dat er een bindende overeenkomst was.
De rechtbank veroordeelt eisers in de proceskosten omdat zij ervoor kozen de vrijwaringsvordering in te stellen zonder de uitkomst van de hoofdzaak af te wachten. De kosten worden begroot op €1.872,00 aan griffierecht en advocaatkosten, vermeerderd met wettelijke rente en nakosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.