Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.Het onderzoek op de terechtzitting
2.De tenlastelegging
van (ongeveer) 1650 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,
van (ongeveer) 4 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,
B.V.), en/of
en/of
), en/of
B.V.),
), en/of
), en/of
en/of
en/of
en/of
terwijl hij, verdachte, en/of zijn medeverdachte(n) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat dat/die geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf; en hij, verdachte, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt
en/of
en/of
en/of
en/of
heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad terwijl hij, verdachte, wist dat dat/die geldbedrag(en) onmiddellijk afkomstig was/waren uit enig eigen misdrijf
3.Het afdoeningsvoorstel
- een bewezenverklaring van de feiten 1, 2, en 3 (parketnummer 71.205142.22) en de feiten 1 en 2 (parketnummer 71.278150.23)
- een strafeis van een gevangenisstraf voor de duur van vierenhalf jaar en een geldboete van € 50.000,--.
- de verdediging geen onderzoekswensen indient;
- door de verdediging geen bewijsverweren worden gevoerd;
- verdachte geen (nadere) verklaring hoeft af te leggen;
- verdachte zich niet aan de tenuitvoerlegging van de straf zal onttrekken;
- zowel door de verdediging als het Openbaar Ministerie wordt afgezien van hoger beroep in deze zaak als de rechtbank komt tot een bewezenverklaring en strafoplegging conform de tussen de verdediging en het Openbaar Ministerie gemaakte afspraken, in die zin dat niet meer of minder dan drie maanden gevangenisstraf van de eis zal worden afgeweken en niet meer of minder dan
4.De voorvragen
5.De beoordeling van het afdoeningsvoorstel met betrekking tot het bewijs
- de rechtbank houdt een eigen verantwoordelijkheid ervoor te zorgen dat de behandeling en de beoordeling van de strafzaak plaatsvinden overeenkomstig de geldende wettelijke bepalingen, met name de artikelen 348 en 350 Sv;
- de verdachte is voorzien van rechtsbijstand;
- de inhoud van het afdoeningsvoorstel is op de openbare terechtzitting besproken;
- de rechtbank heeft vastgesteld dat verdachte vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan het afdoeningsvoorstel en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten.
6.De bewezenverklaring
7.Het bewijs
8.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
medeplegen om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 Opiumwet Pro, voor te bereiden of te bevorderen door een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen of mede te plegen en om daarbij behulpzaam te zijn en om daartoe gelegenheid, middelen en inlichtingen te verschaffen, en
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod;
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro A van de Opiumwet gegeven verbod;
9.De strafbaarheid van verdachte
10.De op te leggen straf of maatregel
11.De toegepaste wettelijke voorschriften
12.De beslissing
medeplegen om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 Opiumwet Pro, voor te bereiden of te bevorderen door
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod;
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro A van de Opiumwet gegeven verbod;
medeplegen van gewoontewitwassen;
valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;
gevangenisstrafvoor de duur van
4,5 (vierenhalf) jaren;
een geldboete van € 50.000,-- (zegge: vijftigduizend euro);
285 (tweehonderdvijfentachtig) dagen.