Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.Het onderzoek op de terechtzitting
2.De tenlastelegging
19 oktober 2016 tot en met 3 mei 2017:
3.De voorvragen
De rechtbank overweegt dat het onjuist doen van een bij de belastingwet voorziene aangifte
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. Bij invoer van goederen van buiten de EU dient invoer-btw te worden geheven over de douanewaarde van de in te voeren goederen en ook over de invoerrechten die moeten worden betaald. Met ander woorden, de ‘rechten bij invoer’ maken deel uit van de belastbare grondslag van de te innen invoer-btw en omvatten niet die invoer-btw. Het vorenstaande betekent dat niet kan worden bewezenverklaard dat het doen van onjuiste of onvolledige aangifte ertoe strekte dat te weinig invoerrechten zouden worden geheven, zodat vrijspraak voor het onder 1 subsidiair tenlastegelegde moet volgen.”
4.De bewijsoverwegingen
[medeverdachte] kwam met het voorstel om deze opdrachten van [bedrijf 3] door verdachte uit te laten voeren. Vervolgens is in overleg [bedrijf 1] opgericht, met, zoals hierboven vermeld, verdachte als bestuurder en enig aandeelhouder.
[medeverdachte] .
5.De beslissing
mr. M.S. de Waard, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.R. Mulder, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2023.