Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2023:666

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
23 februari 2023
Publicatiedatum
23 februari 2023
Zaaknummer
ak_22_1959
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.27 Wsf 2000Art. 11.5 Wsf 2000Art. 3:2 AwbArt. 7:12 AwbArt. 4:102 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugbetaling boete wegens reizen zonder recht op studentenreisproduct wegens overmacht

Eiser volgde een mbo-opleiding en had recht op een studentenreisproduct. Na beëindiging van deze opleiding per 30 juni 2022 vroeg hij een overbruggingsperiode aan voor een hbo-opleiding die hij per 1 september 2022 wilde starten. Door long covid en revalidatie kon hij niet starten en zette hij het studentenreisproduct op 23 augustus 2022 stop. Verweerder legde een boete van €237,85 op wegens reizen zonder recht op het product in juli en augustus 2022.

De rechtbank oordeelt dat eiser niet kan worden toegerekend dat hij het studentenreisproduct te laat stopzette, omdat sprake is van overmacht door ziekte. Verweerder was akkoord gegaan met de overbruggingsperiode en het rigide standpunt dat eiser het risico droeg wordt verworpen. De rechtbank acht het onredelijk om eiser de ov-schuld te laten dragen.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat verweerder de ov-schuld inclusief wettelijke rente binnen vier weken moet terugbetalen. Tevens moet het betaalde griffierecht worden vergoed. Er zijn geen proceskosten toegekend.

Uitkomst: Verweerder moet de ov-schuld van €237,85 inclusief wettelijke rente terugbetalen en het griffierecht vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Almelo
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 22/1959

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder,

gemachtigde: F. Hummel - Fekkes.

Inleiding

Met het besluit van 10 september 2022 heeft verweerder aan eiser een boete opgelegd van
€ 237,85. In de maanden juli en augustus 2022 heeft eiser gereisd met zijn studentenreisproduct terwijl hij daar geen recht op had.
Met het bestreden besluit van 24 oktober 2022 op het bezwaar van eiser is verweerder bij dat besluit gebleven.
Eiser heeft tegen dat besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 9 februari 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van verweerder.

Totstandkoming van het besluit

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiser volgde een mbo-opleiding en had recht op studiefinanciering met een studentenreisproduct. Met deze opleiding is hij gestopt. Daardoor is zijn recht op studiefinanciering en het studentenreisproduct per 30 juni 2022 beëindigd. Omdat eiser per 1 september 2022 aan de hbo-opleiding International Business Development wilde beginnen heeft hij op 1 juli 2022 een verzoek tot overbrugging ingediend. Dat verzoek is door verweerder geaccordeerd. Door longcovid en het daarvoor noodzakelijke revalidatieproces heeft eiser niet kunnen starten met zijn hbo-opleiding.
Zijn studentenreisproduct heeft hij vervolgens stopgezet op 23 augustus 2022.

Standpunten partijen

2.1
Volgens verweerder heeft eiser zijn studentenreisproduct te laat stopgezet, omdat
hij dit niet uiterlijk op 10 juli 2022 heeft gedaan. Ook heeft hij in de eerste helft van juli en de eerste helft van augustus 2022 gebruik gemaakt van het studentenreisproduct. Daarom is er een ov-schuld ontstaan van € 237,85.
2.2
Volgens verweerder is het spijtig dat de hbo-opleiding niet door is gegaan, maar brengt een overbruggingsperiode risico’s met zich mee. De hbo-opleiding moet namelijk wel doorgaan. Eiser heeft zelf voor een overbruggingsperiode gekozen en daarmee het risico genomen dat er een schuld ontstaat als de nieuwe studie onverhoopt niet doorgaat. Tijdens de zitting heeft verweerder aangegeven dat eiser ook wist dat hij een risico nam, omdat hij voor het aanvragen van de overbruggingsperiode al meerdere keren ziek was. De gevolgen dienen hoe spijtig ook voor zijn rekening en risico te blijven. Het moet aan eiser worden toegerekend.
3.1
Eiser stelt - samengevat weergegeven - dat de ov-schuld onterecht is, omdat hij door long covid en het revalidatieproces niet heeft kunnen starten met zijn hbo-opleiding. In de week van 16 augustus 2022 heeft hij zijn eerste hersteltherapie gehad en werd in overleg met de fysiotherapeut en de contactpersoon bij zijn nieuwe opleiding duidelijk dat hij in september 2022 niet kon starten. Vervolgens heeft hij zich uitgeschreven bij de
hbo-opleiding en ook het studentenreisproduct onmiddellijk stopgezet op 23 augustus 2022. Ook verzoekt eiser om vergoeding van zijn kosten die hij voor de bezwaarprocedure heeft gemaakt. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft eiser een kopie van de uitschrijving en een verwijsformulier van de arts overgelegd.
3.2
Tijdens de zitting heeft eiser toegelicht dat de ov-schuld belastend is, omdat hij geen eigen inkomen heeft en hij in juli en augustus 2022 maar een paar keer een kort traject heeft gereisd. Als de gemaakte reizen alsnog in rekening waren gebracht, was er voor hem niets aan de hand geweest.

Wettelijk kader

4. De belangrijkste wet- en regelgeving voor deze zaak zijn in de bijlage vermeld.

Beoordeling door de rechtbank

5.1
De rechtbank oordeelt dat het beroep van eiser gegrond is. Het kan aan hem door overmacht niet worden toegerekend dat zijn hbo-opleiding niet is doorgegaan. De rechtbank licht dit als volgt toe.
5.2
In de Wet studiefinanciering 2000 (WSF 2000) is bepaald dat een studerende verplicht is om het studentenreisproduct uiterlijk op de tiende kalenderdag stop te zetten, nadat zijn aanspraak daarop is beëindigd. Als dit niet wordt gedaan beschikt de student ten onrechte over een studentenreisproduct, waardoor een schuld ontstaat. Dit is niet van toepassing op een periode waarin het degene aan wie het studentenreisrecht is toegekend, aantoonbaar niet kan worden toegerekend dat het studentenreisproduct niet tijdig is stopgezet (artikel 3.27, zevende lid, van de Wsf 2000).
5.3
Het geschil gaat om de vraag of het eiser kan worden toegerekend dat hij niet op
tijd zijn studentenreisproduct heeft stopgezet. Eiser voert - kort gezegd - aan dat dit niet kan, omdat hij vanwege long covid (uiteindelijk) niet aan zijn hbo-opleiding heeft kunnen beginnen. Deze beroepsgrond slaagt. De rechtbank oordeelt dat het eiser niet kan worden toegerekend, omdat in dit geval sprake is van overmacht. Eiser had niet kunnen voorzien
dat hij vanwege long covid niet aan de hbo-opleiding had kunnen beginnen. Er is dan ook geen sprake van enige keuze die voor eisers eigen rekening en risico komt.
5.4
Het standpunt van verweerder dat het eiser wel kan worden toegerekend, kan
de rechtbank niet volgen. Niet in geschil is dat verweerder akkoord is gegaan met de overbruggingsperiode. Vaststaat dat eiser het reisproduct onmiddellijk op 23 augustus 2022 heeft stopgezet, nadat hem duidelijk werd dat hij vanwege ziekte niet met zijn hbo-opleiding kon beginnen. Tot dat moment was er voor eiser geen aanleiding om aan te nemen dat hij mogelijk niet met zijn hbo-opleiding zou kunnen beginnen. Dat er al langer gezondheidsklachten waren, maakt dit niet anders omdat pas in augustus 2022 bij toenemende klachten de diagnose long covid is gesteld en het revalidatieproces toen is bepaald. De stelling van verweerder dat de al langer bestaande gezondheidsklachten van eiser bij hem al eerder het idee hadden moeten geven dat hij wellicht niet met zijn hbo-opleiding zou kunnen beginnen, is een slag in de lucht en feitelijk niet onderbouwd. De rechtbank deelt dan ook het standpunt van eiser, dat verweerder met zijn rigide standpunt voorbijgaat aan de menselijke maat, zoals neergelegd in artikel 3.27, zevende lid, van de Wsf 2000.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt. Daarom moet verweerder de ov-schuld van € 237,85 terugbetalen. Ook dient verweerder wettelijke rente te vergoeden. De wettelijke rente over de ov-schuld is gaan lopen vanaf de dag dat de betaalde schuld van de rekening van eiser is afgeschreven (artikel 4:102, eerste lid, van de Awb).
7. Van proceskosten is niet gebleken.
8. Omdat het beroep gegrond is krijg eiser ook het betaalde griffierecht van € 50,- terug.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • herroept het besluit van 10 september 2022 en bepaalt dat verweerder de ov-schuld van € 237,85 binnen vier weken na verzenddatum van deze uitspraak aan eiser moet terugbetalen, inclusief wettelijke rente;
  • bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 50,- aan eiser vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Oosterveld, rechter, in aanwezigheid van J.T. Boddeüs, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: wettelijk kader

Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Op grond van artikel 3:2 van Pro de Awb moet het bestuursorgaan de nodige kennis vergaren over de relevante feiten en af te wegen belangen bij de voorbereiding van een besluit. De beslissing op bezwaar moet op grond van artikel 7:12, eerste lid, van de Awb goed gemotiveerd zijn.
Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000)
Op grond van artikel 3.3, eerste lid, in samenhang met artikel 3.6, tweede lid, van de Wsf 2000 maakt een reisvoorziening deel uit van de toegekende studiefinanciering.
Artikel 3.27, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wsf 2000 bepaalt dat de persoon die een reisrecht toegekend heeft gekregen verplicht is er zorg voor te dragen dat het reisproduct is stopgezet op uiterlijk de tiende kalenderdag van de maand waarin zijn aanspraak op reisrecht is beëindigd.
In artikel 3.27, tweede lid, van de Wsf 2000 is bepaald dat indien het reisproduct niet is stopgezet na de termijn, genoemd in het eerste lid, aanhef, en er gebruik van is gemaakt, degene aan wie het reisrecht is toegekend aan Onze Minister per halve kalendermaand een bedrag verschuldigd is van, naar de maatstaf van 1 januari 2022:
a. € 79,28 voor zover het de eerste en de tweede halve kalendermaand betreft; en
b. € 158,57 voor zover het de derde en daaropvolgende halve kalendermaanden betreft.
In het zevende lid van dit artikel is bepaald dat het tweede lid niet van toepassing is op een periode waarin het degene aan wie het reisrecht is toegekend, aantoonbaar niet kan worden toegerekend dat het reisproduct niet tijdig is stopgezet.
In artikel 11.5, eerste lid, van de Wsf 2000 (hardheidsclausule) is bepaald dat de minister voor bepaalde gevallen de wet buiten toepassing kan laten of daarvan kan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Artikel 4.2, eerste lid, van de Regeling studiefinanciering 2000 bepaalt dat het reisrecht beëindigd wordt door het reisproduct dat op de ov-chipkaart is geladen, stop te zetten.