Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.Het onderzoek op de terechtzitting
2.De tenlastelegging
primair)dan wel medeplichtig is geweest aan dit misdrijf (
subsidiair);
primair)dan wel medeplichtig is geweest aan dit misdrijf (
subsidiair);
primair)dan wel medeplichtig is geweest aan dit misdrijf (
subsidiair);
primair)dan wel medeplichtig is geweest aan dit misdrijf (
subsidiair);
3.De voorvragen
of omstreeks16 januari 2020 te Enschede, in de uitoefening van een beroep
en/of bedrijf
, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,opzettelijk heeft geteeld
en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres 2]
)een hoeveelheid van
(in totaal
)ongeveer 342 hennepplanten,
althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep,zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II
, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet,terwijl dit gepleegde feit (mede) betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II,
dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet,welke hoeveelheid meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel (te weten 342 hennepplanten,
althans meer dan 200 hennepplanten en/of delen daarvan);
of omstreeks28 januari 2020 te Enschede, in de uitoefening van een beroep
en/of bedrijf,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,opzettelijk heeft geteeld
en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres 3]
)een hoeveelheid van
(in totaal
)ongeveer 993 hennepplanten,
althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep,zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II,
dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet,terwijl dit gepleegde feit (mede) betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II,
dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet,welke hoeveelheid meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel (te weten 993 hennepplanten
, althans meer dan 200 hennepplanten en/of delen daarvan);
op een of meer tijdstippen gelegenin
of omstreeksde periode van 10 oktober 2019 tot en met 16 januari 2020 te Enschede,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,een hoeveelheid
elektriciteit/stroom, ter waarde van (in totaal)
ongeveer€2310,80,
in elk geval enig goed, dat/die geheel
of ten deleaan Enexis B.V.
, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)toebehoorde
(n)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen hoeveelheid elektriciteit/stroom onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;
op een of meer tijdstippenin
of omstreeksde periode van 24 september 2019 tot en met 28 januari 2020 te Enschede,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,een hoeveelheid elektriciteit/stroom, ter waarde van (in totaal)
ongeveer€ 7.791,60,
in elk geval enig goed, dat/die geheel
of ten deleaan Enexis B.V.
, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)toebehoorde
(n)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen hoeveelheid elektriciteit/stroom onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking.
5.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid hennepplanten;
diefstal.
6.De strafbaarheid van verdachte
7.De op te leggen straf of maatregel
8.De schade van benadeelde
9.De toegepaste wettelijke voorschriften
10.De beslissing
in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid hennepplanten;
diefstal;
gevangenisstrafvoor de duur van
7 (zeven) maanden;
4 (vier) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de
proeftijd van 3 (drie) jarende navolgende voorwaarde niet is nagekomen:
algemene voorwaardedat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
maatregelop dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit 3 primair en tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 2.964,40, (tweeduizend negenhonderd vierenzestig euro en veertig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 januari 2020 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 39 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;