Verzoeker trad op 3 oktober 2022 in dienst bij verweerder voor de duur van een project, met een proeftijd van twee maanden. Verweerder zegde de arbeidsovereenkomst op per 10 november 2022 met terugwerkende kracht tot 25 oktober 2022, stellende dat verzoeker niet aan functie-eisen voldeed. Verzoeker betwistte de rechtsgeldigheid van de opzegging, stellende dat de proeftijd nietig is op grond van de toepasselijke cao en het Burgerlijk Wetboek.
De kantonrechter oordeelde dat de proeftijd onrechtmatig was overeengekomen omdat bij een contract voor de duur van een project slechts een proeftijd van één maand is toegestaan. Hierdoor is de opzegging niet rechtsgeldig en dient deze te worden vernietigd. Verweerder is veroordeeld tot betaling van het achterstallig loon vanaf 3 oktober 2022 tot het moment van een rechtsgeldige beëindiging, vermeerderd met een wettelijke verhoging van 5% en wettelijke rente.
Verweerder had aangevoerd schade aan een bedrijfswagen te willen verrekenen met het loon, maar deze stelling werd verworpen wegens gebrek aan onderbouwing en weerspraak door verzoeker. Subsidiaire vorderingen zoals transitievergoeding en billijke vergoeding werden niet toegewezen. Tevens is verweerder veroordeeld tot het aanmelden en afdragen van pensioenpremies aan het Pensioenfonds, met een dwangsom bij niet-naleving.
Tot slot is verweerder veroordeeld in de proceskosten en nakosten. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde is afgewezen.