Uitspraak
1.De beslissing in het kort
2.De procedure
- het bericht van 24 januari 2023 met producties van [A] ,
- de mondelinge behandeling van 3 februari 2023, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de spreekaantekeningen van [A] .
Rechtbank Overijssel
In deze zaak stond een geschil tussen [A], aannemer, en EZ Infra, onderaannemer, centraal over de betaling van bestratingswerkzaamheden uitgevoerd in Duitsland. [A] had facturen van EZ Infra deels onbetaald gelaten en stelde schade te hebben geleden doordat EZ Infra niet over de juiste papieren beschikte volgens Duitse wetgeving, waardoor de opdrachtgever BFL een deel van de aanneemsom vasthield.
De kantonrechter oordeelde dat [A] onvoldoende feiten en bewijs had geleverd om aan te tonen dat zij daadwerkelijk schade had geleden door toedoen van EZ Infra. De overgelegde stukken toonden niet aan dat BFL het bedrag daadwerkelijk had ingehouden vanwege tekortkomingen van EZ Infra. Hierdoor werd de vordering van [A] afgewezen.
In reconventie werd vastgesteld dat [A] ten onrechte de betaling van facturen had opgeschort en werd zij veroordeeld tot betaling van het openstaande bedrag van €10.340,05, vermeerderd met wettelijke handelsrente en buitengerechtelijke incassokosten. Tevens werd [A] veroordeeld in de proceskosten en nakosten. De vordering tot het verbod op negatieve publicaties werd eveneens afgewezen wegens gebrek aan onderbouwing.
Uitkomst: De vorderingen van [A] worden afgewezen en zij wordt veroordeeld tot betaling van de onbetaalde facturen aan EZ Infra, vermeerderd met rente en incassokosten.