De kantonrechter van de Rechtbank Overijssel heeft op 5 maart 2024 uitspraak gedaan in een geschil tussen [partij A] en [partij B] over de beëindiging van een huurovereenkomst betreffende een onroerende zaak te [adres]. [Partij A] vorderde de beëindiging van de huurovereenkomst wegens dringend eigen gebruik, onderbouwd met stukken over de voortgang van een bestemmingsplanwijziging en vergunningaanvragen.
De kantonrechter oordeelde dat [partij A] voldoende aannemelijk had gemaakt dat zij de benodigde vergunningen zullen verkrijgen voor de nieuwbouwplannen, waarbij 21% van de appartementen sociale huur betreft en het aantal appartementen is verhoogd naar 35 vanwege kleinere appartementen en onrendabele sociale huur. Op grond hiervan werd de vordering tot beëindiging van de huurovereenkomst toegewezen en vastgesteld dat de huur eindigt per 31 januari 2025, conform de eerdere opzegging door [partij A].
De kantonrechter stelde tevens een bedrag van €150.000,- vast dat [partij A] aan [partij B] moet betalen indien later blijkt dat de wil tot duurzaam eigen gebruik niet aanwezig was. De vordering van [partij B] in reconventie tot schadeloosstelling wegens afbraak en uitvoering van werk in het algemeen belang werd afgewezen, omdat de reden van opzegging niet lag in afbraak of bestemmingsplanverwezenlijking.
Het vonnis werd niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard omdat het verweer van [partij B] niet kennelijk ongegrond was. De proceskosten werden tussen partijen gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.