Eiseres en gedaagde zijn voormalige echtelieden die een echtscheidingsconvenant hebben opgesteld waarin zij afspraken maakten over de verdeling van gezamenlijke schulden. Eiseres vordert betaling van een bedrag van €6.021, vermeerderd met wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten, omdat zij deze schulden naar eigen zeggen heeft voldaan en gedaagde zijn aandeel nog niet heeft betaald.
De rechtbank beoordeelt dat eiseres haar vordering onvoldoende heeft onderbouwd. Zij heeft geen betalingsbewijzen overgelegd waaruit blijkt dat zij de betreffende bedragen daadwerkelijk heeft betaald. Ook heeft zij niet gereageerd op het verweer van gedaagde dat de vorderingen mogelijk zijn verjaard, wat gezien de termijn en het ontbreken van stuitingshandelingen een reëel bezwaar is.
Hoewel eiseres een brief van het Landelijk Incasso Centrum heeft overgelegd, betreft dit slechts een verzoek om uitstel van betaling en vormt dit geen bewijs van betaling. Het bewijsaanbod wordt niet gehonoreerd omdat eiseres haar stelplicht niet heeft vervuld en zij twee procesronden heeft laten voorbijgaan om haar vordering te onderbouwen.
De rechtbank wijst de vordering af en veroordeelt eiseres in de proceskosten ten laste van haar. Het vonnis is gewezen door kantonrechters Kuipers en Marsman en op 5 maart 2024 in het openbaar uitgesproken.