Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
[partij A] B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats 1],
[partij B] B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats 2],
Rechtbank Overijssel
Partij A vordert een verklaring voor recht dat partij B toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van een overeenkomst van opdracht voor arbodiensten, met schadevergoeding. Partij B stelde incidenteel dat de vordering een waarde boven €25.000 heeft en verwees de zaak naar een andere kamer dan kantonzaken.
De rechtbank oordeelt dat de vorderingen van partij A, bestaande uit een bedrag van €20.461,57 plus buitengerechtelijke kosten van €979,62 en een vordering van onbepaalde waarde, niet duidelijk boven de €25.000 uitkomen. Partij A heeft toegelicht dat de loondoorbetalingsverplichting is geëindigd per 14 september 2021 en dat het risico op toekomstige loondoorbetalings- of re-integratieverplichtingen gering is.
De incidentele vordering van partij B wordt daarom afgewezen en partij B wordt veroordeeld in de proceskosten van €204. De hoofdzaak wordt aangehouden en zal op 2 april 2024 worden voortgezet voor conclusie van antwoord.
Uitkomst: De incidentele vordering van partij B wordt afgewezen en de hoofdzaak wordt voortgezet op 2 april 2024.