Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
wonende te [woonplaats 1],
1.de vennootschap onder firma [partij B 1],
[partij B 2],
wonende te [woonplaats 2],
[partij B 3],
wonende te [woonplaats 3],
Rechtbank Overijssel
In deze zaak gaat het om een geschil tussen [partij A], eigenaar van meerdere percelen met opstallen, en [partij B], huurder van bedrijfsruimte aan het adres [adres 1]. [partij A] vordert in kort geding ontruiming van een schuur die door [partij B] wordt gebruikt, nadat de mondelinge gebruiksovereenkomst is opgezegd vanwege een voorgenomen uitbreiding van het pand door [partij A].
[partij B] erkent de mondelinge afspraak omtrent het gebruik van de schuur, maar stelt dat ook een schutting/overkapping op haar perceel staat en dat zij een alternatieve ruimte nodig heeft voor haar onderneming. Zij vordert onder meer dat [partij A] een nieuwe schuur bouwt en een erfafscheiding plaatst.
De kantonrechter oordeelt dat het spoedeisend belang aanwezig is en dat de opzegging van de gebruiksovereenkomst redelijk is. De vordering tot ontruiming wordt toegewezen met een termijn van zes weken, zodat [partij B] de koelingen kan verplaatsen. De vorderingen van [partij B] worden afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van een verplichting tot het bouwen van een nieuwe schuur en het ontruimen van een deel van het perceel.
De kosten van de procedure worden aan [partij B] opgelegd, zowel in conventie als in reconventie. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en is op 19 maart 2024 door kantonrechter Manders gewezen.
Uitkomst: De huurder wordt veroordeeld tot ontruiming van de schuur binnen zes weken en in de proceskosten, terwijl haar tegenvorderingen worden afgewezen.