ECLI:NL:RBOVE:2024:1798

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
2 april 2024
Publicatiedatum
5 april 2024
Zaaknummer
C/08/24/50 R
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 349a lid 1 FaillissementswetArt. 285 lid f Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toelating tot wettelijke schuldsaneringsregeling met eerdere ingangsdatum

De rechtbank Overijssel heeft op 2 april 2024 uitspraak gedaan over het verzoek van verzoekster tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Verzoekster verkeert in een situatie waarin zij niet meer kan betalen en heeft aangetoond te goeder trouw te zijn geweest bij het ontstaan van haar schulden. Tevens is aannemelijk gemaakt dat zij de verplichtingen uit de regeling zal nakomen.

Daarnaast heeft verzoekster verzocht om een eerdere ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling, namelijk 2 november 2023, vijf maanden voor de datum van de uitspraak. Dit verzoek is gebaseerd op het feit dat zij vanaf november 2023 conform de NVVK-norm maandelijks een bedrag heeft afgedragen, ondanks het ontbreken van afdrachtcapaciteit volgens de wettelijke normen.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling op 2 november 2023 moet worden vastgesteld, conform artikel 349a lid 1 Faillissementswet, omdat verzoekster gedurende die periode maximaal heeft afgedragen. Tevens zijn de beslagen ten laste van verzoekster door de toepassing van de regeling komen te vervallen. De rechtbank benoemt een rechter-commissaris en stelt de vergoeding van de bewindvoerder voorlopig vast.

Uitkomst: De wettelijke schuldsaneringsregeling wordt toegepast met ingang van 2 november 2023, vijf maanden eerder dan de datum van de uitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Toezicht - Schuldsanering
Zittingsplaats Almelo
insolventienummer: C/08/24/50 R
uitspraakdatum: 2 april 2024
Vonnis van de rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, op het verzoek van:
[verzoekster], wonende te [woonplaats]
,
verzoekster, hierna te noemen: [verzoekster].
Ten aanzien van de goederen van [verzoekster] is op 15 april 2021 een onderbewindstelling uitgesproken, met benoeming van [bewindvoerder 1], handelende onder de naam [bewindvoerder 1] te [vestigingsplaats] tot (beschermings)bewindvoerder.

Het procesverloop

[verzoekster] heeft een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Het verzoek is behandeld ter zitting van 25 maart 2024. [verzoekster] en de heer [bewindvoerder 1] (beschermingsbewindvoerder) zijn ter zitting verschenen.

De beoordeling

[verzoekster] heeft verzocht de wettelijke schuldsaneringsregeling op haar van toepassing te verklaren en heeft tevens verzocht te bepalen dat de looptijd van de schuldsanering start op 2 november 2023, zijnde vijf maanden eerder.
De rechtbank zal eerst het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling en vervolgens het verzoek betreffende de eerdere ingangsdatum behandelen.
Ten aanzien van het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling overweegt de rechtbank als volgt. Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen. [verzoekster] verkeert in de toestand dat zij heeft opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat zij niet zal kunnen voortgaan met betaling van haar schulden. Voorts heeft [verzoekster] voldoende aannemelijk gemaakt dat zij ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van haar schuldenlast in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. Tevens heeft [verzoekster] voldoende aannemelijk gemaakt dat zij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.
Ten aanzien van het verzoek om te bepalen dat de ingangsdatum van de termijn van de schuldsaneringsregeling vóór de datum van toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling ligt, overweegt de rechtbank als volgt.
Op 1 juli 2023 is de Wet verbetering doorstroom van de gemeentelijke schuldhulpverlening naar de wettelijke schuldsaneringsregeling natuurlijke personen in werking getreden. Als gevolg van inwerkingtreding van vorengenoemde wet is onder andere artikel 349a lid 1 Faillissementswet aangepast, in die zin dat nu is bepaald dat de termijn van de schuldsaneringsregeling anderhalf jaar bedraagt te rekenen van de dag van de uitspraak tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling, dan wel van de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling als bedoeld in artikel 285 eerde Pro lid onder f Faillissementswet, indien die dag eerder is gelegen.
[verzoekster] heeft aangevoerd dat zij vanaf november 2023 tot april 2024 – in totaal vijf maanden – maximaal heeft afgedragen ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers.
[verzoekster] ontvangt een WIA-uitkering, zodat er geen inspanningsplicht in de zin van het verwerven en behouden van betaalde arbeid meer op haar rust.
[verzoekster] heeft aangevoerd dat zij in totaal een bedrag ad € 247,80 heeft gespaard ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers. Volgens de overgelegde inkomensspecificatie ontvangt [verzoekster] een bedrag ad € 1.126,28 per maand aan WIA-uitkering. Uit de VTLB-berekening volgt dat [verzoekster] een vrij te laten bedrag heeft ad € 1.357,99. Dit betekent dat [verzoekster] conform de regels van de wettelijke schuldsaneringsregeling geen afdrachtcapaciteit heeft, omdat het vrij te laten bedrag hoger is dan het inkomen. Ondanks dat [verzoekster] niet beschikt over afdrachtcapaciteit – conform de regels van de wettelijke schuldsaneringsregeling – heeft [verzoekster] gespaard voor de gezamenlijke schuldeisers. [verzoekster] heeft toegelicht dat zij heeft afgedragen conform de NVVK-norm ad € 49,56 per maand. Op basis van onder andere een overzicht van afgedragen bedragen, concludeert de rechtbank dat er van november 2023 tot april 2024 – in totaal vijf maanden (5 x € 49,56 =
€ 247,80) – maximaal is afgedragen c.q. gespaard voor de gezamenlijke schuldeisers.
De rechtbank is op grond van vorenstaande van oordeel dat de ingangsdatum van de termijn van de schuldsaneringsregeling conform artikel 349a lid 1 Faillissementswet op 2 november 2023 – zijnde vijf maanden eerder dan 2 april 2024 – moet worden bepaald, waartoe de rechtbank hierna zal overgaan.
Tenslotte overweegt de rechtbank dat door de toepassing van de schuldsaneringsregeling de ten laste van [verzoekster] gelegde beslagen van rechtswege komen te vervallen.

De beslissing

De rechtbank:
- spreekt de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoekster]
geboren op [geboortedatum]-1984 te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats];
- benoemt tot rechter-commissaris mr. S.J.S. Groeneveld - Koekkoek,
en tot bewindvoerder [bewindvoerder 2],
[adres]
;
- geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenares gerichte brieven en telegrammen;
- stelt de vergoeding voor de bewindvoerder gedurende de looptijd van de schuldsaneringsregeling voorlopig vast op de bedragen zoals bepaald in het op 1 januari 2024 in werking getreden Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering, en brengt deze bedragen ten laste van de boedel;
- bepaalt dat de bewindvoerder - bij wijze van voorschot - van deze vergoeding gemiddeld per maand een bedrag mag opnemen van maximaal het maandbedrag van het looptijdafhankelijke deel, te vermeerderen met 1/18 van het looptijdonafhankelijke deel, een en ander vanaf de maand waarin de toepassing van de schuldsaneringsregeling van kracht is (een gedeelte van een maand daaronder begrepen) en uitsluitend wanneer het saldo op de ten behoeve van de schuldsaneringsregeling geopende bankrekening dit toelaat;
- Bepaalt op grond van artikel 349a lid 1 Faillissementswet dat de ingangsdatum van de termijn van de schuldsaneringsregeling 2 november 2023 is.
Gewezen te Almelo door mr. M.M. Verhoeven, lid van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 april 2024 in tegenwoordigheid van de griffier.