Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.De procedure
2.Het geschil
3.De beoordeling
4.De beslissing
woensdag 8 mei 2024, 10.00 uur;
Rechtbank Overijssel
In deze civiele procedure verzocht eiser de kantonrechter om een vordering te behandelen die onderdeel uitmaakt van een aanspraak met een onbepaalde waarde. De kantonrechter stelde in een tussenvonnis vast dat onvoldoende aanwijzingen bestaan dat de vordering de competentiegrens van €25.000 niet overschrijdt. Eiser werd verzocht haar vordering te beperken tot €25.000, maar zij wenste dit niet.
De kantonrechter verklaarde zich daarom onbevoegd om over de vordering te beslissen en verwees de zaak op grond van artikel 71 Rv Pro naar de handelskamer van dezelfde rechtbank. Partijen werden gewezen op de gevolgen van deze verwijzing, waaronder de verplichting om in het vervolg van de procedure door een advocaat te worden vertegenwoordigd en de verschuldigdheid van een verhoogd griffierecht.
De zaak is verwezen naar de handelskamer van de rechtbank te Almelo, waar op 8 mei 2024 een rolzitting zal plaatsvinden. De griffier is opgedragen de processtukken en een afschrift van het vonnis tijdig aan de griffier van de handelskamer te doen toekomen. Het vonnis is gewezen door rechter A.M.S. Kuipers en in het openbaar uitgesproken op 2 april 2024.
Uitkomst: De kantonrechter verklaart zich onbevoegd en verwijst de zaak naar de handelskamer wegens overschrijding van de competentiegrens.