ECLI:NL:RBOVE:2024:1942

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
26 maart 2024
Publicatiedatum
9 april 2024
Zaaknummer
10305336 CV EXPL 23-309
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 164 lid 2 Rv
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling tot terugbetaling geldlening wegens onvoldoende bewijs van betaling

Eisers vorderen terugbetaling van een geldlening van €3.400,00 van gedaagde. Gedaagde mocht bewijzen dat hij de lening al had terugbetaald, maar slaagde hier niet in. Hij deed een getuige horen, zijn partner, die verklaarde dat het bedrag contant was betaald aan eiseres.

Eisers voerden tegenbewijs aan met een partijgetuige die verklaarde dat geen betaling had plaatsgevonden. De kantonrechter hechtte meer waarde aan deze verklaring, mede vanwege tegenstrijdigheden in e-mailcorrespondentie van de getuige van gedaagde. Ook was het onduidelijk waarom er in september 2022 geweld tegen eiser zou zijn gebruikt als de lening kort daarvoor al was voldaan.

De kantonrechter concludeerde dat gedaagde onvoldoende bewijs leverde dat de lening was terugbetaald. Daarom werd gedaagde veroordeeld tot betaling van het openstaande bedrag, vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot terugbetaling van €3.400,00 met rente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Enschede
Zaaknummer : 10305336 CV EXPL 23-309
Vonnis van 26 maart 2024
in de zaak van

1.[eiseres] ,

wonende te [woonplaats 1] ,
2. [eiser] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
eisende partijen, hierna te noemen: [eisers]
gemachtigde: M. Steghuis,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats 3] ,
gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] ,
verschenen in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 25 juli 203;
- de processenverbaal van de getuigenverhoren d.d. 13 november 2023 en 18 februari 2024.
1.2.
Hierna is vonnis bepaald.

2.De beoordeling

2.1.
De kantonrechter verwijst naar en handhaaft hetgeen bij voormeld tussenvonnis is overwogen.
2.2.
Bij voormeld vonnis is [gedaagde] toegelaten tot het bewijs dat het bedrag van € 3.400,00 contant aan [eisers] is terugbetaald. [gedaagde] heeft daartoe één getuige doen horen: de heer [naam] , de partner van [gedaagde] , hierna te noemen: [naam] . In contra-enquête hebben [eisers] ook één getuige doen horen: [eiseres] , partijgetuige sub 1. Van de afgelegde verklaringen zijn processen-verbaal opgemaakt die zich bij de stukken bevinden.
2.3.
De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] op basis van de afgelegde verklaringen en de overgelegde producties, in onderlinge samenhang bezien, niet is geslaagd in het haar opgedragen bewijs. Daartoe wordt het volgende overwogen.
2.4.
[naam] heeft verklaard dat zijn partner, [gedaagde] , hem eind juli/begin augustus 2022 heeft verteld dat zij problemen heeft met de terugbetaling van een geldlening. Van deze geldlening was hij niet op de hoogte en hij weet ook niet waarvoor het geld is geleend. Volgens zijn verklaring heeft hij toen hij hoorde van problemen met de terugbetaling, het bedrag van de geldlening van € 3.400,00 in een enveloppe gestopt, deze enveloppe aan [gedaagde] gegeven en is hij met haar in de auto naar het adres van [eiseres] gereden. [naam] kon toen zien dat [gedaagde] aan de deur was bij een hoekhuis aan de [adres] . Hij kon niet zien wie er nog meer aan de deur was. [gedaagde] was binnen een minuut terug en vertelede desgevraagd dat het gelukt was. Tegenover de verklaring van [naam] staat de verklaring van [eiseres] . [eiseres] is weliswaar partijgetuige maar gelet op het bepaalde in artikel 164 lid 2 Rv Pro. komt aan deze verklaring in contra-enquête vrije bewijskracht toe. [eiseres] heeft verklaard dat zij geen enveloppe heeft gekregen met daarin een bedrag van € 3.400,00.
2.5.
De kantonrechter hecht meer waarde aan de verklaring van [eiseres] dan aan de verklaring van [naam] . De reden hiervoor is dat de verklaring van [naam] dat het bedrag van de geldlening ad € 3.4000,00 eind juli/begin augustus 2022 zou zijn terugbetaald, niet goed te rijmen is met het e-mailbericht [1] van [naam] van 2 december 2022 om 10:38 uur aan de deurwaarder. In dit e-mailbericht vermeldt hij onder meer dat de lening volgens zijn vriendin al helemaal is afbetaald en dat hij ‘trouwens helemaal niet op de hoogte [is] gebracht van enige leningen’. Het is op z’n minst bijzonder te noemen dat hij dit schrijft als enkele maanden daarvoor een bedrag van € 3.4000,00 zou zijn overhandigd aan [eiseres] . Ook de hierop volgende e-mail van [naam] van dezelfde datum en anderhalf uur later is vreemd in het licht van de door hem afgelegde verklaring. Het had dan toch voor de hand gelegen dat [naam] in dit bericht vermeld zou hebben dat een bedrag van € 3.400,00 eind juli/begin augustus 2022 zou zijn betaald zoals hij ten overstaan van de kantonrechter als getuige heeft verklaard. Bovendien kan de kantonrechter niet begrijpen waartoe het geweld in september 2022 jegens [eiser] diende [2] als het betreffende bedrag kort daarvoor al voldaan zou zijn.
2.6.
Kortom, de kantonrechter kan aan de verklaring van [naam] niet die waarde hechten die zijn partner, [gedaagde] , daaraan kennelijk wel hecht. Dit betekent dat [gedaagde] niet is geslaagd in het bewijs zodat in rechte niet aannemelijk is gemaakt dat het restantbedrag van lening ad € 3.400,00 is terugbetaald. Dit betekent dat de vordering van [eisers] tot veroordeling van [gedaagde] om aan hen een bedrag van € 3.400,00 te betalen, toewijsbaar is.
2.7.
Ook de gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar, evenals de gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke werkzaamheden.
2.8.
[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Deze kosten worden aan de zijde van [eisers] als volgt vastgesteld:
- dagvaarding € 130,66
- griffierecht € 244,00
- salaris gemachtigde € 948,50
- nakosten €
135,00(plus eventuele verhoging)
Totaal € 1.458,16

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eisers] te betalen een bedrag van € 3.979,18, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 3.400,00 vanaf 19 januari 2023 tot de dag van algehele voldoening;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van [eisers] begroot op € 1.458,16, te voldoen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de proceskostenveroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] ook de kosten van betekening betalen;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M.S. Kuipers, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2024.

Voetnoten

1.Als reactie op het e-mailbericht van de deurwaarden dat van een lening van € 7.700,00 een bedrag van € 3.400,00 nog zou openstaan.
2.Nog afgezien van de omstandigheid dat geweld natuurlijk nooit ergens toe dient.