ECLI:NL:RBOVE:2024:2230

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
24 april 2024
Publicatiedatum
24 april 2024
Zaaknummer
AWB_24_2106
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen omgevingsvergunning bouw schuilhut

Verzoeker heeft bij de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening gevraagd tegen een omgevingsvergunning die aan een derde-partij is verleend voor het bouwen van een schuilhut voor dieren. Het bezwaar tegen deze vergunning was reeds ingediend en de voorzieningenrechter heeft het verzoek op zitting behandeld.

De bouw van de schuilhut was op het moment van behandeling voltooid, waardoor het schorsen van de vergunning voor de bouw geen effect meer zou hebben. Verzoeker heeft daarnaast gevraagd om het gebruik van de schuilhut te verbieden zolang het bezwaar nog niet is beslist, met het argument dat de geluidsoverlast door de dieren, met name ezels, gelijk is gebleven of zelfs is toegenomen.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het besluit uitsluitend betrekking heeft op bouwen en dat het opschorten van het gebruik slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden kan worden toegewezen. Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat de geluidsoverlast onhoudbaar is of significant is toegenomen door de bouw. Bovendien is de bezwaarprocedure spoedig gepland, waardoor geen spoedeisend belang bestaat.

Daarom is het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de omgevingsvergunning voor de bouw en het gebruik van de schuilhut wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang en onvoldoende bewijs van toegenomen geluidsoverlast.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 24/2106

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van Deventer, het college,

gemachtigde: drs. ing. R. Mensink.
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[boerderij]uit [plaats] , gemachtigde: mr. R. Oosterbroek.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker gericht tegen het besluit van 21 februari 2024, waarbij verweerder aan de derde-partij een omgevingsvergunning heeft verleend voor het bouwen van een schuilhut voor dieren.
Verzoeker heeft hiertegen op 10 maart 2024 bezwaar gemaakt. Daarnaast heeft verzoek op 12 maart 2024 aan de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
1.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 17 april 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van het college en [naam 1] en [naam 2] namens de derde-partij.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

De voorlopige voorzieningprocedure
2.1.
Als tegen een besluit voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter,
die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningen-rechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Dit staat in artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De beoordeling die de voorzieningenrechter hierin maakt is voorlopig van aard. De rechtbank die in een later stadium op het eventuele beroep beslist is niet aan het oordeel van de voorzieningenrechter gebonden.
De feiten en omstandigheden
2.2.
Op 17 december 2023 heeft de derde-partij bij verweerder een aanvraag ingediend voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning voor de bouw van een overkap-ping/schuilhut. Aangegeven is dat hiermee dieren kunnen schuilen tegen wind, regen en zon en het hooi droog ligt. Verweerder heeft geoordeeld dat de aanvraag voldoet aan de regels en eisen en daarom aan de derde-partij de gevraagde omgevingsvergunning verleend.
2.4.
Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat niet alleen de verleende omgevingsvergunning voor bouwen wordt geschorst en daarmee de (verdere) bouw van de schuilhut wordt voorkomen maar ook het gebruik van de schuilhut wordt opgeschort c.q. verboden. Verzoeker heeft aangevoerd dat de geluidsoverlast, met name door de ezels, nu weer gelijk is en mogelijk erger dan voor het handhaven van de stal in het bosperceel. Verzoeker geeft aan al acht jaar te dealen met deze overlast. Verzoeker heeft ten slotte aangevoerd dat de overlast richting de zomer alleen maar zal toenemen.
2.5.
Tussen partijen is niet in geschil dat per 9 april 2024 de bouw van de schuilhut is voltooid. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat op dit moment geen sprake is van een spoedeisend belang om de omgevingsvergunning voor het bouwen te schorsen. Die schorsing zal immers als het gaat om de bouw geen effect meer kunnen sorteren.
2.6.
Zoals gesteld heeft verzoeker ook verzocht het gebruik van de schuilhut op te schorten dan wel te verbieden zolang niet op het bezwaar is beslist.
Nu het besluit waartegen het bezwaar zich richt uitsluitend gaat over het bouwen van de schuilhut, is er in beginsel geen ruimte om een dergelijk verzoek toe te wijzen, anders dan in zeer uitzonderlijke omstandigheden. Daarvan is naar het oordeel van de voorzieningenrechter hier geen sprake.
De voorzieningenrechter acht daarbij van belang dat verzoeker niet heeft aangetoond dat er voor hem, hangende de bezwaarprocedure, sprake is van onhoudbare geluidsoverlast en die geluidsoverlast significant is toegenomen door de bouw van de schuilhut vergeleken met de situatie voor de bouw. De voorzieningenrechter neemt hierbij in aanmerking dat verweerder ter zitting heeft aangegeven dat op vrij korte termijn - de planning is14 mei 2024 – het bezwaar zal worden behandeld door de bezwaarschriftencommissie en naar verwachting vrij snel daarna een beslissing op zijn bezwaar zal volgen.
3. De voorzieningenrechter wijst gelet op het voorgaande het verzoek (de verzoeken) af.

Conclusie en gevolgen

4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H.M. Hesseling, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van C. Kuiper, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.