Verzoeker heeft op 4 april 2024 een wrakingsverzoek ingediend tegen kantonrechter A.M.S. Kuipers, die belast was met de behandeling van een civiele zaak. Het verzoek betrof vermeende partijdigheid en schending van het beginsel van hoor en wederhoor en het gelijkheidsbeginsel.
De wrakingskamer heeft het verzoek op 17 april 2024 in het openbaar behandeld. Verzoeker bracht aanvullende stukken in, maar deze konden niet in aanmerking worden genomen omdat zij niet nieuwe feiten bevatten. De wrakingskamer oordeelde dat verzoeker geen concrete feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid rechtvaardigen.
De kamer stelde vast dat de enkele omstandigheid dat de rechter zich mogelijk niet had voorgesteld, noch eerdere behandeling van een zaak met verzoeker, geen grond voor wraking vormen. Ook het stellen van kritische vragen door de rechter aan verzoeker en het al dan niet toelaten van het woord aan partijen valt binnen de regie van de rechter en vormt geen schending van het gelijkheidsbeginsel.
De wrakingskamer concludeerde dat er geen aanwijzingen zijn voor vooringenomenheid of partijdigheid en verklaarde het wrakingsverzoek ongegrond. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.