De rechtbank Overijssel heeft op 30 april 2024 het faillissement uitgesproken van de besloten vennootschap [bedrijf 1] B.V. op verzoek van [verzoekster] B.V. die een opeisbare vordering heeft uit hoofde van een vonnis van 19 december 2023. Naast deze vordering zijn er ook onbetaalde schulden aan Rabobank, wat samen duidt op het ophouden met betalen.
[bedrijf 1] B.V. voerde verweer dat tegen het vonnis hoger beroep is ingesteld en dat in die procedure zal worden gevraagd om schorsing van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring. Dit verweer werd door de rechtbank verworpen omdat de vordering op dit moment opeisbaar is en het hoger beroep nog niet tot schorsing heeft geleid.
Verder stelde [bedrijf 1] dat beslag op roerende goederen onterecht was omdat deze eigendom zijn van een derde partij en dat de toegang tot het huurpand door het vervangen van cilindersloten onmogelijk werd gemaakt. De rechtbank achtte deze stellingen niet doorslaggevend.
De rechtbank concludeerde dat [bedrijf 1] B.V. meer schulden bij meerdere schuldeisers onbetaald laat en daarmee voldoet aan de faillissementscriteria. Op grond van de Faillissementswet en Europese regelgeving werd het faillissement uitgesproken, een rechter-commissaris benoemd en een curator aangesteld.