Uitspraak
1.Inleiding en samenvatting
2.De procedure
- de conclusie van antwoord
- de brief waarin een mondelinge behandeling is bepaald
Rechtbank Overijssel
Eiser stelde dat de deurwaarder onrechtmatig had gehandeld door beslag te leggen op zijn bankrekening om een openstaande CJIB-vordering te innen. Hij beriep zich onder meer op de doorkruisingsleer, publiekrechtelijke onrechtmatigheid, en stelde dat het CJIB een ANBI-instelling is, waardoor betaling niet afdwingbaar zou zijn. Tevens betwistte hij de echtheid van het dwangbevel en de bevoegdheid van de deurwaarder.
De kantonrechter oordeelde dat de deurwaarder als beëdigd gerechtsdeurwaarder bevoegd en zelfs verplicht was tot tenuitvoerlegging van het dwangbevel. De doorkruisingsleer was niet van toepassing omdat hier geen sprake was van overheid die privaatrechtelijk handelt in plaats van publiekrechtelijk. De stellingen van eiser waren onvoldoende onderbouwd en konden niet leiden tot het oordeel dat het handelen van de deurwaarder onrechtmatig was.
De vordering tot schadevergoeding werd daarom afgewezen. Eiser werd veroordeeld in de proceskosten, die forfaitair werden vastgesteld op € 813,00. De kantonrechter verwierp het verzoek om de proceskosten op werkelijke kosten te begroten omdat de vordering niet zodanig kansloos was dat sprake was van misbruik van procesrecht.
Het vonnis werd uitgesproken op 7 mei 2024 door mr. A.M. Koene.
Uitkomst: De vordering van eiser wegens onrechtmatig beslag wordt afgewezen en hij wordt veroordeeld in de proceskosten.