ECLI:NL:RBOVE:2024:2592

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
21 mei 2024
Publicatiedatum
21 mei 2024
Zaaknummer
08.292250.22
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering ontneming wegens herstel vermogenssituatie na oplichting

De rechtbank Overijssel behandelde op 21 mei 2024 een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van €137.500,00 van de veroordeelde, veroordeeld voor meervoudige oplichting. De officier van justitie had de vordering gewijzigd tot €10.068,47, de netto opbrengst van de verkoop van een mesttank door Univé, omdat deze verkoop de vermogenssituatie van de veroordeelde niet volledig zou hebben hersteld.

De verdediging betwistte dit en stelde dat de vordering verminderd moest worden tot €63.182,00, mede omdat voor een deel van de feiten vrijspraak was bepleit en de opbrengst van de mesttank in mindering moest worden gebracht. Tevens stelde de verdediging dat de schadevergoeding aan Univé op de ontnemingsvordering in mindering moest worden gebracht.

De rechtbank stelde vast dat Univé onterecht €137.500,00 had betaald en dat na aftrek van de netto verkoopopbrengst van de mesttank en de toegewezen schadevergoeding aan Univé de vermogenssituatie van de veroordeelde was hersteld. Gezien deze omstandigheden zag de rechtbank geen ruimte meer voor toewijzing van de ontnemingsvordering en wees deze af.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot ontneming af omdat de vermogenssituatie van de veroordeelde al is hersteld.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 08.292250.22
Datum vonnis: 21 mei 2024
Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende op de vordering op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde:
[veroordeelde],
geboren op [geboortedatum] 1977 in [geboorteplaats],
wonende in [woonplaats].

1.De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 137.500,00.

2.De procedure

De vordering is behandeld op de openbare terechtzitting van 7 mei 2024. De veroordeelde, bijgestaan door zijn raadsman mr. N.E. Koelemaij, advocaat in Assen, is op die terechtzitting verschenen en op de vordering gehoord.
Op de terechtzitting heeft de officier van justitie de vordering gewijzigd in die zin dat hij vordert dat de rechtbank het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel vaststelt en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 10.068,47. Dit betreft de netto opbrengst van de verkoop van de BSA mesttank door Univé. De officier van justitie heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte met deze verkoop door Univé er alsnog op vooruit is gegaan en dat die verkoop er niet voor heeft gezorgd dat de vermogenssituatie weer is hersteld naar de originele staat. De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering ontneming voor het overige wordt afgewezen, aangezien hij heeft gevorderd dat het overige bedrag middels een schadevergoeding aan Univé wordt voldaan.
De verdediging heeft – overeenkomstig een aan de rechtbank overgelegde pleitnotitie – bepleit dat de vordering dient te worden verminderd tot een bedrag van € 63.182,00, omdat de verdediging voor de feiten waarop het overige deel van de vordering is gebaseerd vrijspraak heeft bepleit. Daarnaast dient de executieopbrengst van de mesttank in mindering te worden gebracht. Verder heeft de verdediging aangevoerd dat de vordering die aan de benadeelde partij wordt toegekend in mindering moet worden gebracht op de toewijzing van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
3. De beoordeling van de vordering
3.1
Veroordeling
De veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank van 21 mei 2024 veroordeeld, voor zover van belang, voor onder meer het strafbare feit: oplichting, meermalen gepleegd.
3.2
De beoordeling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De rechtbank heeft vastgesteld dat er in totaal een bedrag van € 137.500,00 onterecht door N.V. Univé Schade (hierna: Univé) aan verdachte is betaald. Univé heeft van haar vordering een bedrag van € 10.068,47 afgetrokken, zijnde de netto opbrengst van de verkoop van de BSA mesttank. Bij vonnis van deze rechtbank van 21 mei 2024 is de vordering van de benadeelde partij geheel toegewezen tot een bedrag van € 127.431,53 en is verdachte veroordeeld tot betaling van die kosten en de onderzoekskosten gemaakt door Univé van € 4.799,97.
Deze toegekende vordering dient op grond van artikel 36e, negende lid, Sr in mindering te worden gebracht op de omvang van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat. De rechtbank zal daarnaast de executieopbrengst van de mesttank ook in mindering brengen op de omvang van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op grond van artikel 36e, achtste lid, Sr.
De rechtbank ziet daarom geen ruimte meer voor toewijzing van de vordering ontneming, nu de vermogenssituatie middels een andere weg al is hersteld naar de originele staat.

4.De beslissing

De rechtbank
wijstde vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht
af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.G.M. Fluttert, voorzitter, mr. A. van Holten en mr. S.H. Peper, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K. Drenth griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2024.
Buiten staat
Mr. S.H. Peper is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.