Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.De vordering van de officier van justitie
2.De procedure
4.De beslissing
wijstde vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht
af.
Rechtbank Overijssel
De rechtbank Overijssel behandelde op 21 mei 2024 een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van €137.500,00 van de veroordeelde, veroordeeld voor meervoudige oplichting. De officier van justitie had de vordering gewijzigd tot €10.068,47, de netto opbrengst van de verkoop van een mesttank door Univé, omdat deze verkoop de vermogenssituatie van de veroordeelde niet volledig zou hebben hersteld.
De verdediging betwistte dit en stelde dat de vordering verminderd moest worden tot €63.182,00, mede omdat voor een deel van de feiten vrijspraak was bepleit en de opbrengst van de mesttank in mindering moest worden gebracht. Tevens stelde de verdediging dat de schadevergoeding aan Univé op de ontnemingsvordering in mindering moest worden gebracht.
De rechtbank stelde vast dat Univé onterecht €137.500,00 had betaald en dat na aftrek van de netto verkoopopbrengst van de mesttank en de toegewezen schadevergoeding aan Univé de vermogenssituatie van de veroordeelde was hersteld. Gezien deze omstandigheden zag de rechtbank geen ruimte meer voor toewijzing van de ontnemingsvordering en wees deze af.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot ontneming af omdat de vermogenssituatie van de veroordeelde al is hersteld.