ECLI:NL:RBOVE:2024:2709

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
21 mei 2024
Publicatiedatum
24 mei 2024
Zaaknummer
10955195 \ CV EXPL 24-800
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 lid 4 BWArt. 6:119a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling factuur en bijkomende kosten voor installatie 380V installatie

Eiser heeft in opdracht van gedaagde een nieuwe 380V installatie geïnstalleerd en hiervoor op 5 april 2023 een factuur van € 2.407,90 gestuurd. Gedaagde heeft deze factuur onbetaald gelaten, waarop eiser betaling vordert vermeerderd met wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten.

Gedaagde erkent de hoofdsom te moeten betalen, maar betwist de bijkomende kosten en stelt dat onvoldoende aanmaningen zijn verstuurd en dat hij een betalingsregeling wilde treffen. De kantonrechter oordeelt dat het hier een handelsovereenkomst betreft, waardoor gedaagde op grond van artikel 6:96 lid 4 BW Pro vanaf het verstrijken van de betalingstermijn incassokosten verschuldigd is, zonder dat een aanmaning vereist is.

Eiser heeft voldoende pogingen tot betaling gedaan, waaronder twee betalingsherinneringen en een aanmaning via gemachtigde. Een betalingsregeling is zelfs getroffen maar niet nagekomen door gedaagde. Daarom worden de bijkomende kosten, bestaande uit wettelijke rente en incassokosten van € 361,19, toegewezen.

Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van € 2.769,09 plus wettelijke handelsrente en de proceskosten van € 958,84. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de factuur inclusief wettelijke rente en incassokosten, en in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer : 10955195 \ CV EXPL 24-800
Vonnis van 21 mei 2024
in de zaak van
[eiser],handelende onder de naam [bedrijf 1],
wonende te [woonplaats 1],
eisende partij, hierna te noemen [eiser],
gemachtigde: KVN Gerechtsdeurwaarders & Juristen,
tegen
[gedaagde],handelende onder de naam
[bedrijf 2],
wonende te [woonplaats 2],
gedaagde partij, hierna te noemen [gedaagde],
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de conclusie van repliek
- de conclusie van dupliek
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De beoordeling

Waar gaat deze zaak over?
2.1.
[eiser] heeft in opdracht van [gedaagde] een nieuwe 380V installatie geïnstalleerd en hij heeft daarvoor op 5 april 2023 een factuur gestuurd aan [gedaagde] met een totaalbedrag van € 2.407,90. [gedaagde] heeft deze factuur onbetaald gelaten. [eiser] vordert daarom in deze procedure betaling van de factuur, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vervaldag van de factuur tot aan de dag van algehele voldoening en de buitengerechtelijke incassokosten.
[gedaagde] moet de factuur betalen.
2.2.
[gedaagde] erkent dat hij de factuur aan [eiser] moet betalen, daarom kan de vordering tot betaling van € 2.407,90 worden toegewezen.
[gedaagde] moet de bijkomende kosten betalen.
2.3.
[gedaagde] voert verweer tegen de bijkomende kosten. Hij stelt dat hij slechts twee betalingsherinneringen heeft ontvangen en dat [eiser] geen aanmaning heeft verstuurd waarin [gedaagde] 14 dagen de tijd krijgt om de factuur te betalen, voordat de vordering aan de gemachtigde uit handen wordt gegeven en er bijkomende kosten worden gevorderd. Daarnaast wil [gedaagde] graag een betalingsregeling treffen, maar daarop wordt niet gereageerd.
2.4.
De kantonrechter overweegt hierover als volgt. [gedaagde] moet de bijkomende kosten betalen als hij in verzuim is met de betaling van de factuur en [eiser] kosten heeft moeten maken om zijn betaling te ontvangen. Daarbij is het van belang dat [eiser] voorafgaand aan de dagvaarding [gedaagde] voldoende in de gelegenheid heeft gesteld om de hoofdsom zonder kosten te betalen en dat heeft [eiser] in deze zaak voldoende gedaan. [eiser] heeft vaak contact gehad met [gedaagde] over betaling van de factuur en hij heeft twee betalingsherinneringen gestuurd. Daarnaast heeft [eiser] gesteld dat het in deze zaak gaat om een handelsovereenkomst, de partijen hebben de overeenkomt namelijk gesloten in de uitoefening van diens beroep of bedrijf. Omdat het een handelsovereenkomst is, is [gedaagde] op grond van artikel 6:96 lid 4 Burgerlijk Pro Wetboek al buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd vanaf het moment dat de betaaltermijn op de factuur is verstreken. Het versturen van een aanmaning is hiervoor geen vereiste. Omdat de betalingstermijn van 14 dagen op de factuur van 5 april 2023 is verstreken, heeft de gemachtigde van [eiser] op 1 februari 2024 een aanmaning verstuurd. Hiervoor heeft de gemachtigde van [eiser] bijkomende kosten in rekening gebracht. De gemachtigde van [eiser] heeft zelfs nog een betalingsregeling met [gedaagde] getroffen, maar deze is niet behoorlijk nagekomen waardoor deze betalingsregeling is vervallen. [gedaagde] heeft dit niet betwist en daarom moet hij de bijkomende kosten betalen.
2.5.
De bijkomende kosten zien op de wettelijke rente vanaf de vervaldag van de factuur tot aan de dag van algehele voldoening en de buitengerechtelijke incassokosten van € 361,19 en deze kosten zullen worden toegewezen.
2.6.
[gedaagde] heeft in zijn conclusie van dupliek nog gesteld dat hij graag een betalingsregeling wil treffen. De kantonrechter kan partijen alleen geen betalingsregeling opleggen.
2.7.
[gedaagde] is de partij die ongelijk krijgt en hij zal daarom ook in de proceskosten (inclusief nakosten) worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:
- dagvaarding € 115,84
- griffierecht € 248,00
- salaris gemachtigde € 476,00 (2 punt x tarief € 238,00)
- nakosten
€ 119,00
Totaal € 958,84.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] tegen bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 2.769,09, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over € 2.407,90 vanaf de vervaldag van de factuur tot aan de dag van algehele voldoening;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van [eiser] begroot op € 958,84, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] ook de kosten van betekening betalen;
3.3.
verklaart dis vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.F. van Aalst, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2024. (jjm)