Partijen zijn achterburen met percelen gescheiden door een beukenhaag die door gedaagde in augustus 2023 werd verwijderd in verband met bouwplannen. Eisers stellen dat zij door verjaring eigenaar zijn geworden van een strook grond tot het hart van de voormalige haag en vorderen dat gedaagde de erfgrens respecteert en de werkzaamheden staakt.
Gedaagde betwist het eigendom van de strook en voert aan dat de kadastrale erfgrens geldt. Na een grensreconstructie bleek de haag geheel op het perceel van gedaagde te staan. De rechter oordeelt dat het spoedeisend belang ontbreekt omdat de werkzaamheden grotendeels zijn afgerond en eisers geen aantoonbaar direct nadeel lijden.
De voorzieningenrechter stelt dat bewijslevering in kort geding niet mogelijk is en dat het eigendom in een bodemprocedure moet worden vastgesteld. Daarom wijst de rechtbank de vorderingen van eisers af en veroordeelt hen in de proceskosten.