Eiseres diende op 9 mei 2023 een verzoek om kwijtschelding van haar studieschuld in bij de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. De minister besloot te laat op dit verzoek, waardoor een bestuurlijke dwangsom van €1.442,- werd toegekend. Eiseres stelde vervolgens beroep in tegen het niet tijdig beslissen en verzocht om een boete wegens de vertraging.
De minister nam op 19 januari 2024 een inhoudelijk besluit op het verzoek, waarbij het verzoek werd afgewezen omdat het een herhaald verzoek betrof zonder nieuwe feiten of omstandigheden. Eiseres handhaafde haar beroep en stelde dat het besluit te laat was genomen en dat de minister het verzoek had moeten honoreren.
De rechtbank oordeelde dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk was geworden, omdat het procesbelang was komen te vervallen door het alsnog genomen besluit. Het beroep tegen het inhoudelijke besluit werd ongegrond verklaard omdat eiseres geen nieuwe feiten of omstandigheden had aangevoerd die rechtvaardigen dat de minister terugkomt op het eerdere besluit. De rechtbank zag ook geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht.