Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2024:2903

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
3 juni 2024
Publicatiedatum
3 juni 2024
Zaaknummer
08.910032.18
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 6:6:25 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na veroordeelde medeplegen drugshandel en witwassen

De rechtbank Overijssel behandelde de ontnemingsvordering tegen de veroordeelde, die eerder door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is veroordeeld voor medeplegen van drugshandel en witwassen. De ontnemingsvordering betrof het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de oplegging van een betalingsverplichting aan de Staat.

De rechtbank baseerde de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel op de verklaring van de veroordeelde bij de rechter-commissaris en de bewezenverklaarde periode van april 2017 tot en met 6 november 2018. Hierbij werd een netto maandsalaris en contante betalingen voor Darkweb-activiteiten meegenomen, resulterend in een totaal van €33.600. De rechtbank nam geen kosten in mindering omdat deze niet waren gesteld of bewezen.

Gezien de overschrijding van de redelijke termijn bij de afdoening van de ontnemingsvordering, werd het bedrag verminderd met 10%, waardoor het vastgestelde bedrag op €30.240 kwam. De rechtbank wees een hoger percentage af, ondanks het verzoek van de verdediging.

De rechtbank legde de veroordeelde de verplichting op om dit bedrag aan de Staat te betalen ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Tevens werd de maximale duur van gijzeling vastgesteld op 604 dagen. De uitspraak werd gedaan door drie rechters, waarbij één rechter niet medeondertekende.

Uitkomst: De veroordeelde is verplicht tot betaling van €30.240 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer: 08.910032.18
Datum vonnis: 3 juni 2024
Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende op de vordering op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde:
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedatum] 1989 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] .

1.De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 484.408,--.

2.De procedure

De vordering is behandeld op de openbare terechtzittingen van 3 december 2019,
19 december 2019, 27 september 2021, 19 februari 2024 en 22 april 2024.
De veroordeelde is op de terechtzitting van 3 december 2019 verschenen. Op de overige terechtzittingen is de veroordeelde niet verschenen. Namens hem heeft mr. W.H. Jebbink, advocaat in Amsterdam, verweer gevoerd.
De ontnemingsvordering tegen de veroordeelde (verder ook [veroordeelde] ) maakt onderdeel uit van het onderzoek Metaal. In dat onderzoek waren naast [veroordeelde] ook [medeverdachte 1] ,
[medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] verdachte. Zij zijn op 23 april 2020 in eerste aanleg en [veroordeelde] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op 12 oktober 2023 ook in hoger beroep veroordeeld voor onder meer het medeplegen van drugshandel, meermalen gepleegd, en het medeplegen van witwassen. Tegen [veroordeelde] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] heeft de officier van justitie een ontnemingsvordering ingediend. De vorderingen zijn steeds gelijktijdig behandeld.

3.De standpunten

Het standpunt van de officier van justitie en het standpunt van de verdediging
De officier van justitie heeft ter zitting van 19 februari 2024 gesteld dat bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel gekeken moet worden naar de verklaring die door [veroordeelde] in de ontnemingszaak is afgelegd bij de rechter-commissaris.
Na aanvankelijk de vordering verminderd te hebben tot een bedrag van afgerond € 50.000,--, heeft de officier van justitie in repliek de vordering opnieuw aangepast en verminderd tot een bedrag van € 29.700,-- en de rechtbank verzocht dit bedrag als geschat wederrechtelijk verkregen voordeel vast te stellen.
De verdediging heeft verzocht om het te ontnemen bedrag vast te stellen op € 26.400,--.
Onderbouwing
Voor de berekening van het te ontnemen bedrag nemen de officier van justitie en de verdediging de verklaring van [veroordeelde] bij de rechter-commissaris en de door het hof bewezenverklaarde periode als uitgangspunt en komen dan tot het volgende:
Over een periode van veertien maanden, ingaande februari 2017, heeft [veroordeelde] maandelijks € 1.000,-- ontvangen voor zijn Darkweb-werkzaamheden.
Over een periode van zeven maanden, ingaande mei 2018, heeft hij maandelijks € 3.000,-- ontvangen.
Het totaal ontvangen bedrag bedraagt daarmee:
periode februari 2017 – april 2018 = 14 x € 1.000 = € 14.000,--;
periode mei 2018 – 6 november 2018 = 7 x € 3.000 = € 21.000,--;
--------------
totaal € 35.000,--.
Echter, nu de ten laste gelegde én bewezenverklaarde periode loopt vanaf april 2017 is het volgens de officier van justitie en de verdediging redelijk de maanden februari 2017 en maart 2017 niet mee te tellen, zodat het totaal door de veroordeelde ontvangen bedrag € 33.000,-- bedraagt.
Redelijke termijn
De officier van justitie heeft gesteld dat in verband met overschrijding van de redelijke termijn een percentage van tien procent op het bedrag van € 33.000,-- in mindering moet worden gebracht, zodat € 29.700,-- resteert.
De verdediging heeft het standpunt ingenomen dat, nu de ontnemingsvordering dateert van november 2019 en daarmee sprake is van een tijdsverloop van vier jaar, sprake is van een dubbele overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen een zaak moet worden afgedaan. Daarom is het redelijk deze overschrijding te compenseren door een vermindering van
het ontnemingsbedrag met twintig procent, zodat € 26.400,-- resteert.

4.De beoordeling van de vordering

4.1
Veroordeling
De veroordeelde is bij arrest van het gerechtshof Arnhem - Leeuwarden van 12 oktober 2023 veroordeeld voor, voor zover van belang, de strafbare feiten:
medeplegen van drugshandel, meermalen gepleegd, en medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd.
4.2
De beoordeling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel [1]
De rechtbank acht op basis van de voor de bewezenverklaring in de strafzaak gebruikte bewijsmiddelen en de in het kader van de ontnemingsprocedure bij de rechter-commissaris door [veroordeelde] afgelegde getuigenverklaring [2] , aannemelijk dat [veroordeelde] financieel voordeel heeft genoten.
Voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel neemt de rechtbank de verklaring van [veroordeelde] bij de rechter-commissaris als uitgangspunt en gaat daarbij voorbij aan de inhoud van het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van
20 juni 2019, omdat de rechtbank van oordeel is dat de bevindingen in dat rapport, in het licht van de bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring, niet zonder meer kunnen worden overgenomen.
De rechtbank gaat voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit van de door het hof bewezenverklaarde periode, te weten april 2017 tot en met 6 november 2018. Op grond van de verklaring van [veroordeelde] bij de rechter-commissaris acht de rechtbank het aannemelijk dat [veroordeelde] vanaf april 2017 tot mei 2018 voor zijn werkzaamheden voor Black Box Security een netto salaris van € 1.400,-- heeft ontvangen met daarnaast maandelijks € 1.200,-- contant voor de Darkweb-activiteiten. Vanaf mei 2018 werd laatstgenoemd bedrag verhoogd naar € 3.000,-- contant per maand. Nu [veroordeelde] op
6 november 2018 is aangehouden, zal de rechtbank de maand november 2018 niet in de berekening meenemen.
De rechtbank komt daarmee tot de volgende berekening:
periode april 2017 t/m april 2018 (13 x € 1.200,-- =) € 15.600,--;
periode mei 2018 t/m oktober 2018 ( 6 x € 3.000,-- =) € 18.000,--;
--------------
totaal € 33.600,--.
Aldus schat de rechtbank het door [veroordeelde] wederrechtelijk verkregen voordeel op een totaalbedrag van € 33.600,--.
Kosten
Niet is gesteld en ook niet is gebleken dat [veroordeelde] kosten heeft gemaakt waarmee bij de berekening van het voordeel rekening moet worden gehouden.
Het wederrechtelijk verkregen voordeel
De rechtbank stelt op grond van wettige bewijsmiddelen het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat vast op € 33.600,--.
4.3
De redelijke termijn
Bij de vaststelling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel houdt de rechtbank er rekening mee dat in deze zaak sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn bij de afdoening van de ontnemingsvordering. Gelet op die omstandigheid ziet de rechtbank aanleiding om het vastgestelde wederrechtelijk verkregen voordeel te verminderen met een percentage van tien procent. Voor het hanteren van een hoger percentage als door de verdediging verzocht ziet de rechtbank geen aanleiding.
4.4
De vaststelling van de betalingsverplichting
De rechtbank is van oordeel dat aan de veroordeelde de verplichting moet worden opgelegd tot betaling aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 30.240,--.

5.De wettelijke voorschriften

De oplegging van de maatregel is gegrond op artikel 36e Sr.

6.De beslissing

De rechtbank:
  • stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 30.240,--;
  • legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 30.240,-- aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
  • bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 604 dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. Wentink, voorzitter, mr. C.C.S. Bordenga-Koppes en
mr. P.A.M. Miltenburg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. W.J. van der Leest, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2024.
Mr. Bordenga-Koppes is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie Oost-Nederland, Dienst Regionale Recherche, met nummer ONRAA17O23Metaal. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen,
2.het proces-verbaal van verhoor getuige [veroordeelde] van 27 januari 2022.