Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.De procedure
2.De beoordeling
De ontvankelijkheid van het verzoek
3.De beslissing
7 juni 2024.
Rechtbank Overijssel
Verzoeker diende tijdens de voortgezette behandeling van zijn strafzaak een wrakingsverzoek in tegen de volledige zittingscombinatie wegens het voorbijgaan aan zijn aanwezigheidsrecht, wat volgens hem de onpartijdigheid van de rechters aantastte.
De wrakingskamer oordeelde dat het verzoek tijdig en ontvankelijk was, maar dat het verzoek feitelijk gericht was tegen een procesbeslissing van de rechters, namelijk de afwijzing van een aanhoudingsverzoek. Volgens vaste jurisprudentie kan een procesbeslissing geen grond voor wraking vormen.
De motivering van de procesbeslissing werd beoordeeld en er werd geoordeeld dat deze niet als uiting van vooringenomenheid kon worden opgevat. De rechters hadden een belangenafweging gemaakt tussen het aanwezigheidsrecht van verzoeker en de voortgang van het proces, waarbij de voortgang prevaleerde vanwege onzekerheid over de terugkeer van verzoeker.
De wrakingskamer concludeerde dat er geen objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid bestond en verklaarde het wrakingsverzoek ongegrond. Verzoeker kreeg de mogelijkheid om in de strafzaak alsnog te reageren op de feiten en zijn persoonlijke omstandigheden toe te lichten, maar hierover nam de wrakingskamer geen beslissing.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechters wordt ongegrond verklaard wegens ontbreken van objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid.