Partij A huurt winkelruimte van GI Almelo B.V. aan de Woonboulevard in Almelo en is op grond van artikel 14.11 van de huurovereenkomst lid van de belangenvereniging BWA, waaraan zij contributie dient te betalen. BWA vordert betaling van onbetaalde contributie, terwijl partij A betwist deze bedragen verschuldigd te zijn en in reconventie te veel betaalde contributie terugvordert.
De kantonrechter kwalificeert het beding in artikel 14.11 als een derdenbeding en stelt vast dat BWA als derde partij nakoming kan vorderen. Bij de uitleg van het beding wordt uit oogpunt van rechtszekerheid meer gewicht toegekend aan de letterlijke tekst, omdat BWA niet betrokken was bij de totstandkoming en alle partijen commerciële partijen zijn met ervaring in dergelijke overeenkomsten.
De tekst van artikel 14.11 bepaalt dat voor leden met een winkelformule van 1.000 m² of groter een vaste jaarlijkse vergoeding verschuldigd is, en voor kleinere oppervlakten een vergoeding per m². Partij A valt onder de eerste categorie en is daarom alleen de vaste vergoeding verschuldigd. De vordering van BWA tot betaling van een vergoeding per m² wordt afgewezen.
Daarnaast wordt vastgesteld dat de vaste vergoeding jaarlijks wordt geïndexeerd vanaf 1996, zoals letterlijk in de overeenkomst staat vermeld. Partij A mocht dit redelijkerwijs begrijpen, mede gelet op haar eerdere huurovereenkomst. De vorderingen van BWA worden afgewezen, evenals de reconventionele vordering van partij A tot terugbetaling van te veel betaalde contributie, omdat haar berekening niet uitgaat van de indexering vanaf 1996.
De kantonrechter veroordeelt BWA tot betaling van de proceskosten aan partij A en partij A tot betaling van de proceskosten aan BWA in reconventie, verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst het meer of anders gevorderde af.