Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.De vordering van de officier van justitie
2.De procedure
3.De beoordeling van de vordering
4.De wettelijke voorschriften
5.De beslissing
€ 33.699,28;
hoofdelijke verplichtingop tot betaling van
€ 33.699,28aan de
Rechtbank Overijssel
De rechtbank Overijssel heeft op 18 juni 2024 uitspraak gedaan in een zaak waarbij de veroordeelde was veroordeeld voor medeplegen van handel in drugs en diefstal van elektriciteit. De officier van justitie had een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ingediend, aanvankelijk gesteld op ruim €300.000, welke na diverse zittingen en schriftelijke rondes werd teruggebracht tot €33.699,28.
De rechtbank baseerde haar vaststelling op uitgebreide financiële rapporten en proces-verbalen, waaronder berekeningen van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennepkwekerijen en contante stortingen en betalingen op bankrekeningen van de veroordeelde en zijn partner. Uit het onderzoek bleek dat de contante stortingen en betalingen niet aannemelijk verklaard konden worden uit legale bronnen, waardoor deze als wederrechtelijk verkregen werden aangemerkt.
Daarnaast werd vastgesteld dat de veroordeelde en zijn partner gezamenlijk beschikten over het voordeel en een gezamenlijke huishouding voerden, waardoor het voordeel als gemeenschappelijk werd beschouwd en de betalingsverplichting hoofdelijk werd opgelegd. De rechtbank hield rekening met een overschrijding van de redelijke termijn en paste een korting toe van €5.000 op het ontnemingsbedrag.
De uiteindelijke betalingsverplichting werd vastgesteld op €33.699,28, te betalen aan de Staat, met een maximale gijzelingstermijn van 684 dagen. Het vonnis werd gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken te Zwolle.
Uitkomst: De veroordeelde is verplicht tot betaling van €33.699,28 aan wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat.