ECLI:NL:RBOVE:2024:3225

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
20 juni 2024
Publicatiedatum
20 juni 2024
Zaaknummer
08.040665.22
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 6:6:25 Sv
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na productie methamfetamine en MDMA

De rechtbank Overijssel heeft op 20 juni 2024 uitspraak gedaan in de ontnemingsvordering tegen de veroordeelde, die is veroordeeld voor medeplegen van productie en voorbereiding van methamfetamine en MDMA. De ontnemingsvordering maakt deel uit van het onderzoek Electra22, waarin ook medeverdachten zijn veroordeeld.

De rechtbank baseert haar oordeel op de bewezenverklaring van de strafzaak en het rapport over het wederrechtelijk verkregen voordeel. De veroordeelde heeft verklaard zes keer een bedrag van €2.200 te hebben ontvangen als vergoeding voor zijn werkzaamheden, wat het totaal op €13.200 brengt. Er zijn geen kosten in mindering gebracht.

Op grond van artikel 36e Sr stelt de rechtbank het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €13.200 en legt zij de veroordeelde de verplichting op dit bedrag aan de Staat te betalen. Tevens is de duur van de gijzeling vastgesteld op maximaal 264 dagen volgens artikel 6:6:25 Sv Pro.

De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer voor strafzaken en is openbaar uitgesproken. Mr. Gehring was niet in de gelegenheid het vonnis mede te ondertekenen.

Uitkomst: Veroordeelde is verplicht tot betaling van €13.200 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer: 08.040665.22
Datum vonnis: 20 juni 2024
Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende op de vordering op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde:
[veroordeelde],
geboren op [geboortedatum] 1963 in [geboorteplaats],
wonende aan de [adres 1]
.

1.De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 13.200,--.

2.De procedure

De ontnemingsvordering tegen de veroordeelde (verder ook [veroordeelde]) maakt onderdeel uit van het onderzoek Electra22. In dat onderzoek zijn naast [veroordeelde], ook [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] verdachte. Zij zijn op 20 juni 2022 veroordeeld voor onder meer het medeplegen van de productie van methamfetamine en MDMA alsmede de voorbereiding daarvan. Tegen [veroordeelde], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] heeft de officier van justitie een ontnemingsvordering ingediend.
De vordering tegen [veroordeelde] is behandeld op de openbare terechtzittingen van 14 mei 2024,
16 mei 2024 en 12 juni 2024. [veroordeelde], bijgestaan door zijn raadsman mr. J. Michels, advocaat in Oldenzaal, is verschenen op de terechtzitting van 12 juni 2024 en op de vordering gehoord. Op de zitting van 14 mei 2024 en 16 mei 2024 is alleen de gemachtigd raadsman verschenen.
Op de terechtzitting van 12 juni 2024 heeft de officier van justitie de vordering gehandhaafd.
De verdediging heeft gesteld dat de vordering kan worden toegewezen.

3.De beoordeling van de vordering

3.1
Veroordeling
De veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank van 20 juni 2024 veroordeeld, voor zover van belang, voor de strafbare feiten:
medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B en D, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd
en
medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, door daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen, waarvan zij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd.
3.2
De beoordeling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De rechtbank acht op basis van de voor de bewezenverklaring in de strafzaak gebruikte bewijsmiddelen [1] en het in deze zaak opgemaakte rapport wederrechtelijk verkregen voordeel van 2 augustus 2022 [2] , het aannemelijk dat [veroordeelde] financieel voordeel heeft genoten uit het plegen van genoemde strafbare feiten die voortkomen uit het op 1 februari 2022 op het perceel aan de [adres 2] aangetroffen (deels ontmantelde) drugslaboratorium.
Voor de berekening van dat wederrechtelijk verkregen voordeel neemt de rechtbank de bewezenverklaarde feiten en periode als uitgangspunt. De rechtbank is van oordeel dat [veroordeelde], die in de bewezenverklaarde periode zowel voorbereidingshandelingen heeft verricht voor de aanleg van een drugslaboratorium en zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan de productie van methamfetamine en MDMA, voor zijn werkzaamheden een vergoeding heeft ontvangen.
Ter zitting van 12 juni 2024 heeft [veroordeelde] verklaard dat hij zes keer een bedrag van € 2.200,-- heeft ontvangen als vergoeding. [3]
Het wederrechtelijk verkregen voordeel
Uit het voorgaande volgt:
€ 2.200,-- x 6 = totaal € 13.200,--.
Kosten
Niet is gesteld en ook niet is gebleken dat de veroordeelde kosten heeft gemaakt waarmee bij de berekening van het voordeel rekening moet worden gehouden.
De rechtbank stelt op grond van wettige bewijsmiddelen het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat, vast op
€ 13.200,--.
3.3
De vaststelling van de betalingsverplichting
De rechtbank is van oordeel dat aan de veroordeelde de verplichting moet worden opgelegd tot betaling aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 13.200,--.
4. De wettelijke voorschriften
De oplegging van de maatregel is gegrond op artikel 36e Sr.

5.De beslissing

De rechtbank:
  • stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 13.200,--;
  • legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 13.200,-- aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
  • bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 264 dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.T.C. Jordaans, voorzitter, mr. M.A.H. Heijink en
mr. R.G.J. Gehring, rechters, in tegenwoordigheid van mr. W.J. van der Leest, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 20 juni 2024.
Mr. Gehring is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland met nummer ON2R022005/Electra22 van 29 september 2022. Tenzij anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
2.Het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van [naam] van 27 juli 2022.
3.Het proces-verbaal van de terechtzitting van 12 juni 2024 voor zover inhoudende de verklaring van verdachte.