ECLI:NL:RBOVE:2024:3480

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
1 juli 2024
Publicatiedatum
2 juli 2024
Zaaknummer
C/08/315375 KG ZA 24-119
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • M.C.J.M. Manders
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot ontruiming woning na echtscheiding met dwangsom

Partijen waren gehuwd en zijn bij beschikking van 9 augustus 2022 gescheiden. Eiser is eigenaar van de woning, gedaagde was dat niet omdat zij niet in gemeenschap van goederen waren gehuwd. Na de echtscheiding weigerde gedaagde de woning te verlaten en verblijft zij zonder recht of titel in de woning.

De spanningen liepen op doordat gedaagde vernielingen aan, in en rondom de woning pleegde. Eiser vorderde in kort geding dat gedaagde de woning binnen drie dagen verlaat en ontruimt, met een dwangsom van € 500 per dag, en dat zij de woning niet zonder schriftelijke toestemming mag betreden, eveneens met een dwangsom.

Gedaagde verscheen niet in de procedure, waardoor haar verweer ontbreekt. De voorzieningenrechter oordeelde dat de vorderingen niet onrechtmatig of ongegrond zijn en wijst deze toe, met een beperking van de dwangsommen tot € 100 per dag of keer, met een maximum van € 10.000. De proceskosten worden gecompenseerd, ieder draagt eigen kosten.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld om binnen drie dagen de woning te verlaten en ontruimd te houden met een beperkte dwangsom, en wordt verboden de woning zonder toestemming te betreden.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Almelo
zaaknummer / rolnummer: C/08/315375 KG ZA 24-119
Vonnis in kort geding van 1 juli 2024
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats 1],
eisende partij,
advocaat mr. T.J.H. Zwiers te Hengelo (O),
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats 2],
gedaagde partij,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding met producties,
  • de mondelinge behandeling op 24 juni 2024,
  • het tijdens de behandeling tegen [gedaagde] verleende verstek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De zaak in het kort

2.1.
Partijen zijn op 3 augustus 2012 gehuwd in de Dominicaanse Republiek. Bij beschikking van 9 augustus 2022 werd de echtscheiding uitgesproken. [eiser] is sinds eigenaar van de woning aan de [adres]. [gedaagde] was geen eigenaar van die woning aangezien partijen niet in gemeenschap van goederen waren gehuwd.
Na de echtscheiding heeft [eiser] [gedaagde] verzocht de woning te verlaten. Dat weigert zij. [gedaagde] verblijft derhalve zonder recht of titel in de woning De spanningen tussen partijen lopen steeds verder op waarbij [gedaagde] diverse vernielingen aan, in en rondom de woning heeft verricht. Daarom vordert [eiser] nu in kort geding dat [gedaagde] de woning verlaat met daaraan gekoppeld een dwangsom.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagde] te veroordelen om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis de woning met medeneming van haar eigendommen te verlaten c.q. ontruimen en ontruimd te houden, die woning ter vrije beschikking aan [eiser] te stellen en te laten onder afgifte van de sleutels aan [eiser], zulks op straffe van een dwangsom van
€ 500,- per dag of dagdeel dat [gedaagde] geen gehoor geeft aan voornoemde veroordeling met een maximum van € 10.000,00, althans een zodanige dwangsom de voorzieningenrechter in goede justitie vermeent te behoren;
II. [gedaagde] te verbieden de woning zonder uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van [eiser] opnieuw te betreden op straffe van een dwangsom ad. € 500,00 per keer dat [gedaagde] de woning betreedt, met een maximum van € 10.000,00;
III. veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.

4.De beoordeling

4.1.
[gedaagde] verblijft zonder recht of titel in de woning van [eiser] en eveneens staat onweersproken vast dat zij in, om en aan de woning van [eiser] vernielingen blijft aanrichten. [eiser] heeft dan ook voldoende spoedeisend belang om met zijn vorderingen aan die situatie een einde te maken.
4.2.
Nu het spoedeisend belang aanwezig is, komt de voorzieningenrechter toe aan de inhoudelijke beoordeling van de vorderingen van [eiser] In dat kader is van belang dat [gedaagde] niet in de procedure is verschenen en geen verweer heeft gevoerd. Als een gedaagde partij geen verweer heeft gevoerd is het algemene uitgangspunt dat de vorderingen van een eisende partij in beginsel voor toewijzing vatbaar zijn. Voorwaarde is dan wel dat deze vorderingen niet onrechtmatig of ongegrond voorkomen. Aan die voorwaarde wordt voldaan: partijen zijn niet meer gehuwd, [gedaagde] verblijft zonder recht of titel in de woning en onweersproken staat ook vast dat zij vernielingen in, aan en rondom de woning blijft aanrichten. De vorderingen van [eiser] zijn dan ook toewijsbaar met dien verstande dat voor beide vorderingen geldt dat de dwangsommen worden beperkt tot € 100,00 per dag maar wel tot een maximum van € 10.000,00. In dit verband is van belang dat het gestelde de vordering en het beoogde rechtsgevolg moet kunnen dragen.
4.3.
Omdat partijen gewezen echtelieden zijn, zal de voorzieningenrechter de proceskosten, compenseren. Dat betekent dat iedere partij de eigen kosten moet dragen.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1
veroordeelt [gedaagde] om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis de woning met medeneming van haar eigendommen te verlaten c.q. ontruimen en ontruimd te houden, die woning ter vrije beschikking aan [eiser] te stellen en te laten onder afgifte van de sleutels aan [eiser], zulks op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag of dagdeel dat [gedaagde] geen gehoor geeft aan voornoemde veroordeling met een maximum van € 10.000,00;
5.2
verbiedt [gedaagde] de woning zonder uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van [eiser] opnieuw te betreden op straffe van een dwangsom ad. € 100,00 per keer dat [gedaagde] de woning betreedt, met een maximum van € 10.000,00;
5.3
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.C.J.M. Manders en in het openbaar uitgesproken op
1 juli 2024.