Klaagster diende een klaagschrift in tegen het conservatoir beslag op haar bedrijfsauto, merk Mercedes-Benz Vito, omdat zij stelde dat de auto niets met enig misdrijf te maken had en noodzakelijk was voor haar hoveniersbedrijf. De auto was in 2021 aangeschaft en werd gebruikt door klaagster en haar partner, die tevens verdachte is in een strafzaak.
De officier van justitie verzette zich tegen opheffing van het beslag vanwege het belang van de strafvordering en mogelijke ontnemingsmaatregelen tegen de verdachte partner. De rechtbank oordeelde dat het niet hoogst onwaarschijnlijk was dat ontnemingsmaatregelen zouden worden opgelegd, maar dat klaagster zelf niet verdachte is en dat de auto waarschijnlijk gemeenschappelijk bezit is.
Gezien het summiere karakter van de beklagprocedure, het ontbreken van bewijs dat de auto wederrechtelijk verkregen voordeel betreft, en de noodzaak van de auto voor het voortzetten van het hoveniersbedrijf, werd het beslag opgeheven. De partner van klaagster is sinds 29 mei 2024 geschorst uit voorlopige hechtenis en wil de auto gebruiken voor zijn werkzaamheden.
De rechtbank concludeerde dat het beslag disproportioneel en niet subsidiar was en gelastte de teruggave van de bedrijfsauto aan klaagster.